1. De voorzitter kan in het belang van een goede uitoefening van zijn functie als voorzitter van de veiligheidsregio worden geschorst.
2. Een besluit tot schorsing bevat een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.
3. Onze Minister kan, in afwachting van een besluit tot schorsing, bepalen dat de voorzitter zijn functie niet uitoefent.
4. Een besluit als bedoeld in het derde lid vervalt indien niet binnen een maand een besluit tot schorsing is genomen.
Aan de voorzitter kan ontslag worden verleend op grond van:
a. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie als voorzitter;
b. een verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur;
c. een verstoorde verhouding met Onze Minister;
d. opheffing van de regio;
e. andere gronden.
1. De voorzitter vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie als voorzitter.
2. De voorzitter meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie, anders dan uit hoofde van het ambt van burgemeester en zijn functie als voorzitter, aan Onze Minister.
3. De voorzitter maakt openbaar welke nevenfuncties hij vervult, anders dan uit hoofde van het ambt van burgemeester en zijn functie als voorzitter.
1. De voorzitter stelt het algemeen bestuur van de veiligheidsregio en Onze Minister in kennis van een afwezigheid die langer duurt dan zes weken.
2. De voorzitter die buiten zijn regio verblijft, kan door het algemeen bestuur of Onze Minister om dringende redenen van dienstbelang worden teruggeroepen.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, kan het algemeen bestuur onderscheidenlijk Onze Minister bepalen dat aan de voorzitter ten laste van de regio een vergoeding van de kosten wordt toegekend.