BWBR0031959
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 3
Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek
1. Al het beleid dat valt onder de beleidsartikelen in de begroting wordt periodiek (bijvoorbeeld eens per vier jaar en ten minste eens in de zeven jaar) geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. In begroting en jaarverslag wordt aangegeven welke beleidsdoorlichtingen in welk jaar zijn of worden uitgevoerd.
2. Een beleidsdoorlichting is een syntheseonderzoek naar zowel de doeltreffendheid als de doelmatigheid van al het beleid van een geheel beleidsartikel of van een substantieel, samenhangend deel van een beleidsartikel.
3. Een beleidsdoorlichting bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. Een afbakening van het te onderzoeken beleidsterrein;
b. De gehanteerde motivering voor het beleid en de met het beleid beoogde doelen;
c. Een beschrijving van het beleidsterrein en onderbouwing van de daarmee gemoeide uitgaven;
d. Een overzicht van eerder uitgevoerd onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid en een onderbouwing van de gekozen evaluatieprogrammering;
e. De effecten van het gevoerde beleid en een analyse en beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid, dat wil zeggen alle instrumenten in hun onderlinge samenhang.
4. De minister zendt de beleidsdoorlichting aan de Tweede Kamer.
5. Bij elke beleidsdoorlichting geeft ten minste één van de betrokken onafhankelijke deskundigen zijn of haar oordeel over de kwaliteit van de beleidsdoorlichting en een toelichting op zijn of haar betrokkenheid en inbreng bij de totstandkoming van de beleidsdoorlichting. Deze toelichting wordt opgenomen in de beleidsdoorlichting of als bijlage meegestuurd naar de Tweede Kamer.
6. In aanvulling op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, gelden voor beleidsdoorlichtingen strengere eisen voor de onafhankelijkheid van deskundigen(n). De onafhankelijke deskundige(n) mogen niet afkomstig zijn uit de kring van departementen. Medewerkers van inspectiediensten, de Auditdienst Rijk en departementale onderzoeksinstellingen met een onafhankelijke status kunnen wel als onafhankelijke deskundige optreden.
2. Een beleidsdoorlichting is een syntheseonderzoek naar zowel de doeltreffendheid als de doelmatigheid van al het beleid van een geheel beleidsartikel of van een substantieel, samenhangend deel van een beleidsartikel.
3. Een beleidsdoorlichting bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. Een afbakening van het te onderzoeken beleidsterrein;
b. De gehanteerde motivering voor het beleid en de met het beleid beoogde doelen;
c. Een beschrijving van het beleidsterrein en onderbouwing van de daarmee gemoeide uitgaven;
d. Een overzicht van eerder uitgevoerd onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid en een onderbouwing van de gekozen evaluatieprogrammering;
e. De effecten van het gevoerde beleid en een analyse en beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid, dat wil zeggen alle instrumenten in hun onderlinge samenhang.
4. De minister zendt de beleidsdoorlichting aan de Tweede Kamer.
5. Bij elke beleidsdoorlichting geeft ten minste één van de betrokken onafhankelijke deskundigen zijn of haar oordeel over de kwaliteit van de beleidsdoorlichting en een toelichting op zijn of haar betrokkenheid en inbreng bij de totstandkoming van de beleidsdoorlichting. Deze toelichting wordt opgenomen in de beleidsdoorlichting of als bijlage meegestuurd naar de Tweede Kamer.
6. In aanvulling op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, gelden voor beleidsdoorlichtingen strengere eisen voor de onafhankelijkheid van deskundigen(n). De onafhankelijke deskundige(n) mogen niet afkomstig zijn uit de kring van departementen. Medewerkers van inspectiediensten, de Auditdienst Rijk en departementale onderzoeksinstellingen met een onafhankelijke status kunnen wel als onafhankelijke deskundige optreden.