BWBR0031938
Geldig vanaf 2012-10-01
Artikel 12
Subsidieregeling Fietsersbond 2013
1. In aanvulling op de artikelen 4:68, 4:69en 4:70 van de wetis de subsidieontvanger verplicht tot:
a. voor zover van toepassing: het afronden van de uitvoering van projecten waarvoor subsidie is verleend, voor het tijdstip dat daarvoor is aangegeven in de beschikking tot subsidieverlening;
b. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de subsidie en op de rechtmatige en de doelmatige aanwending daarvan zoals financiering van projecten vanuit andere bronnen;
c. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister zodra aannemelijk is dat de gesubsidieerde projecten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;
d. het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de rechtmatige en doelmatige aanwending van de ontvangen subsidiegelden, dat wordt verricht namens of in opdracht van de minister of door de Algemene Rekenkamer en het verstrekken van desverlangd alle informatie aan degene die met dit onderzoek is belast;
e. het de minister vooraf op de hoogte stellen indien naar de media wordt getreden ten aanzien van gesubsidieerde projecten met een landelijk politiek gevoelig of belangrijk landelijk beleidsmatig karakter;
f. het verlenen van medewerking binnen een door de minister te stellen termijn aan een door hem ingesteld evaluatieonderzoek teneinde te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger bij het uitvoeren van een gesubsidieerd project, een toegevoegde waarde heeft geleverd aan het in artikel 2, eerste lid omschreven doel van deze regeling;
g. het in acht nemen van het controleprotocol, en
h. het onverwijld informeren van de minister nadat: 1e een verzoek tot verlening van surseance aan of faillietverklaring van de subsidieontvanger bij de rechtbank is ingediend,
2e een besluit tot ontbinding bij de rechtbank is ingediend, of
3e de statuten zijn gewijzigd.
1e een verzoek tot verlening van surseance aan of faillietverklaring van de subsidieontvanger bij de rechtbank is ingediend,
2e een besluit tot ontbinding bij de rechtbank is ingediend, of
3e de statuten zijn gewijzigd.
2. Voorts kan de minister bij de beschikking tot subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. het verkrijgen van andere financiële middelen, en
b. andere verplichtingen die de minister wenselijk acht ter verwezenlijking van het doel van de subsidie.
3. Tevens draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat:
a. een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht dat een gescheiden administratie van kosten en baten wordt gevoerd voor de gesubsidieerde projecten enerzijds en de overige activiteiten anderzijds, en
b. een onderzoek als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, van de wet wordt uitgevoerd en dat dit onderzoek geschiedt met inachtneming van hetgeen daarover is bepaald in het controleprotocol.
a. voor zover van toepassing: het afronden van de uitvoering van projecten waarvoor subsidie is verleend, voor het tijdstip dat daarvoor is aangegeven in de beschikking tot subsidieverlening;
b. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de subsidie en op de rechtmatige en de doelmatige aanwending daarvan zoals financiering van projecten vanuit andere bronnen;
c. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister zodra aannemelijk is dat de gesubsidieerde projecten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;
d. het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de rechtmatige en doelmatige aanwending van de ontvangen subsidiegelden, dat wordt verricht namens of in opdracht van de minister of door de Algemene Rekenkamer en het verstrekken van desverlangd alle informatie aan degene die met dit onderzoek is belast;
e. het de minister vooraf op de hoogte stellen indien naar de media wordt getreden ten aanzien van gesubsidieerde projecten met een landelijk politiek gevoelig of belangrijk landelijk beleidsmatig karakter;
f. het verlenen van medewerking binnen een door de minister te stellen termijn aan een door hem ingesteld evaluatieonderzoek teneinde te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger bij het uitvoeren van een gesubsidieerd project, een toegevoegde waarde heeft geleverd aan het in artikel 2, eerste lid omschreven doel van deze regeling;
g. het in acht nemen van het controleprotocol, en
h. het onverwijld informeren van de minister nadat: 1e een verzoek tot verlening van surseance aan of faillietverklaring van de subsidieontvanger bij de rechtbank is ingediend,
2e een besluit tot ontbinding bij de rechtbank is ingediend, of
3e de statuten zijn gewijzigd.
1e een verzoek tot verlening van surseance aan of faillietverklaring van de subsidieontvanger bij de rechtbank is ingediend,
2e een besluit tot ontbinding bij de rechtbank is ingediend, of
3e de statuten zijn gewijzigd.
2. Voorts kan de minister bij de beschikking tot subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. het verkrijgen van andere financiële middelen, en
b. andere verplichtingen die de minister wenselijk acht ter verwezenlijking van het doel van de subsidie.
3. Tevens draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat:
a. een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht dat een gescheiden administratie van kosten en baten wordt gevoerd voor de gesubsidieerde projecten enerzijds en de overige activiteiten anderzijds, en
b. een onderzoek als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, van de wet wordt uitgevoerd en dat dit onderzoek geschiedt met inachtneming van hetgeen daarover is bepaald in het controleprotocol.