BWBR0031219
Geldig vanaf 2012-02-04
Artikel 4
Samenwerkingsregeling ICT rechtshandhavingketen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland
1. De ministers dragen zorg voor de inrichting van de beheerorganisatie ten behoeve van de ICT-voorziening van de landen uiterlijk op het tijdstip van beëindiging van het Protocol Plan Veiligheid Nederlandse Antillen.
2. De beheerorganisatie bezit rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht van het land waarin de rechtspersoon wordt gevestigd.
3. Aan het hoofd van de beheerorganisatie staat een beheerder. De beheerder wordt benoemd door de ministers.
4. De beheerorganisatie heeft tot taak:
a. het aanschaffen en beheren van de apparatuur en de programmatuur voor de ICT-voorziening;
b. het waarborgen van de continue beschikbaarheid van de systemen en de ondersteuning daarvan;
c. het technisch beheer van de ICT-voorziening;
d. het financieel en contractueel beheer;
e. het personeel beheer van het personeel dat in dienst is of werkzaam is ten behoeve van de beheersorganisatie.
5. De ministers kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot:
a. de apparatuur en programmatuur;
b. de administratieve regels;
c. de personele voorzieningen, en
d. de kantoorvoorzieningen ten behoeve van het gemeenschappelijke beheer en de ICT-voorzieningen, met inbegrip van de beveiliging.
6. De beheerder kan gebruikmaken van een derde partij voor de uitvoering van een of meer van de taken, genoemd in het eerste lid. Hij behoeft daartoe voorafgaande instemming van de ministers.
2. De beheerorganisatie bezit rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht van het land waarin de rechtspersoon wordt gevestigd.
3. Aan het hoofd van de beheerorganisatie staat een beheerder. De beheerder wordt benoemd door de ministers.
4. De beheerorganisatie heeft tot taak:
a. het aanschaffen en beheren van de apparatuur en de programmatuur voor de ICT-voorziening;
b. het waarborgen van de continue beschikbaarheid van de systemen en de ondersteuning daarvan;
c. het technisch beheer van de ICT-voorziening;
d. het financieel en contractueel beheer;
e. het personeel beheer van het personeel dat in dienst is of werkzaam is ten behoeve van de beheersorganisatie.
5. De ministers kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot:
a. de apparatuur en programmatuur;
b. de administratieve regels;
c. de personele voorzieningen, en
d. de kantoorvoorzieningen ten behoeve van het gemeenschappelijke beheer en de ICT-voorzieningen, met inbegrip van de beveiliging.
6. De beheerder kan gebruikmaken van een derde partij voor de uitvoering van een of meer van de taken, genoemd in het eerste lid. Hij behoeft daartoe voorafgaande instemming van de ministers.