BWBR0031018
Geldig vanaf 2020-09-14
Artikel 2.6
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening
1. De Minister van Defensie, waar nodig in overleg met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, beoordeelt de aanvaardbaarheid van de gevolgen van het bouwwerk dan wel de windturbine voor de werking van de radar op basis van de eventuele overschrijding van de referentiewaarden voor de radardetectiekans in een radardetectiegebied.
2. Als radardetectiegebied, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt:
a. een gebied vanaf een hoogte van 1000 voet ten opzichte van het maaiveld tot een hoogte van het maximale bereik van de radar voor luchtverkeer dat ‘en route’ is, welk gebied heel Nederland omvat;
b. een gebied vanaf een hoogte van 500 voet tot een hoogte van 1000 voet ten opzichte van het maaiveld in de omgeving van luchthavens voor naderingsverkeer, en
c. een gebied vanaf een hoogte van 300 voet tot een hoogte van 500 voet ten opzichte van het maaiveld in de directe omgeving van en in het verlengde van start- en landingsbanen en van de schietrange voor jachtvliegtuigen.
3. Voor een radardetectiegebied van een primaire radar als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt voor de radardetectiekans een middelingsgebied met een straal van 500 meter.
4. De referentiewaarde ingeval van een primaire radar voor de radardetectiekans binnen een radardetectiegebied voor verkeersleiding is 90% voor een object met een radardoorsnede van twee vierkante meter en met een doelfluctuatiemodel Swerling Model I.
5. De referentiewaarde ingeval van een secundaire radar voor de toelaatbare afwijking in de azimuthoek als gevolg van obstakels, is een standaardafwijking van minder dan 0,08 graden.
6. De referentiewaarde voor de radardetectiekans binnen een radardoorsnede voor gevechtsleiding is niet openbaar.
7. De Minister van Defensie, waar nodig in overleg met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, kan in bijzondere omstandigheden afwijken van de in het eerste tot en met het zesde lid opgenomen regels.
2. Als radardetectiegebied, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt:
a. een gebied vanaf een hoogte van 1000 voet ten opzichte van het maaiveld tot een hoogte van het maximale bereik van de radar voor luchtverkeer dat ‘en route’ is, welk gebied heel Nederland omvat;
b. een gebied vanaf een hoogte van 500 voet tot een hoogte van 1000 voet ten opzichte van het maaiveld in de omgeving van luchthavens voor naderingsverkeer, en
c. een gebied vanaf een hoogte van 300 voet tot een hoogte van 500 voet ten opzichte van het maaiveld in de directe omgeving van en in het verlengde van start- en landingsbanen en van de schietrange voor jachtvliegtuigen.
3. Voor een radardetectiegebied van een primaire radar als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt voor de radardetectiekans een middelingsgebied met een straal van 500 meter.
4. De referentiewaarde ingeval van een primaire radar voor de radardetectiekans binnen een radardetectiegebied voor verkeersleiding is 90% voor een object met een radardoorsnede van twee vierkante meter en met een doelfluctuatiemodel Swerling Model I.
5. De referentiewaarde ingeval van een secundaire radar voor de toelaatbare afwijking in de azimuthoek als gevolg van obstakels, is een standaardafwijking van minder dan 0,08 graden.
6. De referentiewaarde voor de radardetectiekans binnen een radardoorsnede voor gevechtsleiding is niet openbaar.
7. De Minister van Defensie, waar nodig in overleg met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, kan in bijzondere omstandigheden afwijken van de in het eerste tot en met het zesde lid opgenomen regels.