BWBR0031007
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel XIX
Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht, enz. (implementatie richtlijn nr. 2009/110/EG)
1. Onder instelling voor elektronisch geld wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die op 30 april 2011 beschikte over een vergunning om in Nederland het bedrijf van elektronischgeldinstelling te mogen uitoefenen, welke vergunning niet na die datum is ingetrokken of vervallen.
2. Onder vrijgestelde uitgever van elektronisch geld wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die vanaf een tijdstip gelegen voor 30 april 2011 in overeenstemming met de Wet op het financieel toezichtzoals deze luidde voor die datum zonder daartoe over een vergunning van de Nederlandsche Bank te beschikken, het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefent.
3. Instellingen voor elektronisch geld mogen tot 30 oktober 2011 hun bedrijf uitoefenen in overeenstemming met de bepalingen uit het Deel Markttoegang Financiële Ondernemingenen het Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen van de Wet op het financieel toezichtzoals deze luidden op 29 april 2011.
4. De Nederlandsche Bank kan besluiten een instelling voor elektronisch geld een vergunning als bedoeld in artikel 2:10a van de Wet op het financieel toezichtte verstrekken indien zij naar haar oordeel over voldoende bewijs beschikt dat de betreffende instelling voldoet aan de vereisten die zijn opgenomen in artikel 2:10b van de Wet op het financieel toezicht.
5. Het derde lid laat onverlet dat de in het derde lid bedoelde rechtspersonen een vergunning als bedoeld in artikel 2:10b van de Wet op het financieel toezichtkunnen aanvragen.
6. Op vrijgestelde uitgevers van elektronisch geld blijven tot 30 april 2012 het deel Markttoegang Financiële Ondernemingenen het deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen van de Wet op het financieel toezichtvan toepassing zoals deze luidden op 29 april 2011.
2. Onder vrijgestelde uitgever van elektronisch geld wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die vanaf een tijdstip gelegen voor 30 april 2011 in overeenstemming met de Wet op het financieel toezichtzoals deze luidde voor die datum zonder daartoe over een vergunning van de Nederlandsche Bank te beschikken, het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefent.
3. Instellingen voor elektronisch geld mogen tot 30 oktober 2011 hun bedrijf uitoefenen in overeenstemming met de bepalingen uit het Deel Markttoegang Financiële Ondernemingenen het Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen van de Wet op het financieel toezichtzoals deze luidden op 29 april 2011.
4. De Nederlandsche Bank kan besluiten een instelling voor elektronisch geld een vergunning als bedoeld in artikel 2:10a van de Wet op het financieel toezichtte verstrekken indien zij naar haar oordeel over voldoende bewijs beschikt dat de betreffende instelling voldoet aan de vereisten die zijn opgenomen in artikel 2:10b van de Wet op het financieel toezicht.
5. Het derde lid laat onverlet dat de in het derde lid bedoelde rechtspersonen een vergunning als bedoeld in artikel 2:10b van de Wet op het financieel toezichtkunnen aanvragen.
6. Op vrijgestelde uitgevers van elektronisch geld blijven tot 30 april 2012 het deel Markttoegang Financiële Ondernemingenen het deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen van de Wet op het financieel toezichtvan toepassing zoals deze luidden op 29 april 2011.