BWBR0030672
Geldig vanaf 2011-11-24
Artikel 2
Regeling afbouw operationele toelage
1. Het tijdvak waarover de aflopende toelage wordt verstrekt is gelijk aan een derde gedeelte van de tijd gedurende welke de ambtenaar de operationele toelage onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de blijvende dan wel tijdelijke verlaging van zijn operationele toelage zonder wezenlijke onderbreking in dienst van het betreffende korps heeft genoten. Bij het berekenen van het aantal vierweekse perioden vindt een afronding naar boven plaats op een geheel aantal vierweekse perioden. Het tijdvak waarover de aflopende toelage wordt verstrekt is maximaal 52 vierweekse perioden, met dien verstande dat bij tijdelijke verlaging het tijdvak niet langer is dan de duur van de tijdelijke verlaging.
2. Het tijdvak waarover de aflopende toelage wordt verstrekt wordt in vier gelijke delen gesplitst, waarbij afronding op een hele vierweekse periode plaatsvindt en het eerste, het tweede en het derde deel naar boven worden afgerond, met dien verstande dat de ingevolge het eerste lid vastgestelde totale duur van de overgangsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. De aflopende toelage bedraagt gedurende deze vier delen achtereenvolgens 80%, 60%, 40% en 20% van de berekeningsbasis.
3. In afwijking van het tweede lid wordt de hoogte van de aflopende toelage na een tijdelijke verlaging bepaald door het tijdvak in vier delen te splitsen die zou gelden indien sprake zou zijn van een blijvende verlaging. Vervolgens bedraagt de aflopende toelage gedurende deze perioden achtereenvolgens de in het tweede lid genoemd percentages van de berekeningsbasis totdat het eind van het ingevolge het eerste lid berekende tijdvak dan wel het einde van de duur van de tijdelijke verlaging is bereikt.
2. Het tijdvak waarover de aflopende toelage wordt verstrekt wordt in vier gelijke delen gesplitst, waarbij afronding op een hele vierweekse periode plaatsvindt en het eerste, het tweede en het derde deel naar boven worden afgerond, met dien verstande dat de ingevolge het eerste lid vastgestelde totale duur van de overgangsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. De aflopende toelage bedraagt gedurende deze vier delen achtereenvolgens 80%, 60%, 40% en 20% van de berekeningsbasis.
3. In afwijking van het tweede lid wordt de hoogte van de aflopende toelage na een tijdelijke verlaging bepaald door het tijdvak in vier delen te splitsen die zou gelden indien sprake zou zijn van een blijvende verlaging. Vervolgens bedraagt de aflopende toelage gedurende deze perioden achtereenvolgens de in het tweede lid genoemd percentages van de berekeningsbasis totdat het eind van het ingevolge het eerste lid berekende tijdvak dan wel het einde van de duur van de tijdelijke verlaging is bereikt.