BWBR0030147
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 5
Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2011–2012
: Personele bezetting ... 5.1 Het bevoegd gezag verstrekt bij de ontslagen per of na 1 augustus 2011 informatie over de personele bezetting, als het ontslag op grond van artikel 7 , 7a , 7b , 8 of 11 gemeld wordt. 5.2 De te overleggen informatie onderbouwt de reden dat juist voor deze persoon (personen) het vergoedingsverzoek is ingediend, in de volgende situaties: 5.2.1 Beëindiging tijdelijk dienstverband op grond van de formatieve ontwikkelingen Het bevoegd gezag geeft aan of er een vacature beschikbaar is op de datum van ontslag. I Als er geen vacature is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 7 , 7a of 7b . II Als er wel een vacature is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 7 , 7a of 7b wat betreft de formatieve ontwikkelingen, en overeenkomstig artikel 8 wat betreft de vacature en de reden dat betrokkene niet in deze vacature is benoemd. 5.2.2 Beëindiging tijdelijk dienstverband op grond van kwalitatieve fricties Het bevoegd gezag geeft aan of er een vacature beschikbaar is op de datum van ontslag. I Als er geen vacature is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 8 . II Als er wel een vacature is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 8 , waarbij ook het vakgebied van de vacature bij de onderbouwing wordt betrokken. 5.2.3 Beëindiging vast dienstverband op grond van de formatieve ontwikkelingen Het bevoegd gezag geeft aan of er op de datum van ontslag sprake is van: a. personeel in tijdelijke dienst dat gehandhaafd blijft; b. personeel in tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is benoemd; c. personeel in vaste of tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum een uitbreiding van de betrekking heeft gehad; d. personeel dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is getreden en/of e. een vacature op de datum van ontslag; I Als van het gestelde onder a, b, c, d en e geen sprake is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 7 , 7a of 7b . II Als van het gestelde onder a, b, c, d, of e één of meer keren sprake is, wordt het ontslag wat betreft de formatieve ontwikkelingen onderbouwd op grond van artikel 7 , 7a of 7b en wat betreft de functie bedoeld in a t/m e wordt op grond van artikel 8 onderbouwd waarom betrokkene niet in deze functie is benoemd. 5.2.4 Beëindiging vast dienstverband op grond van kwalitatieve fricties Het bevoegd gezag geeft aan of er op de datum van ontslag sprake is van: a. personeel in tijdelijke dienst dat gehandhaafd blijft, b. personeel in tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is benoemd, c. personeel in vaste of tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum een uitbreiding van de betrekking heeft gehad, d. personeel dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is getreden en/of er sprake is van e. een vacature op de datum van ontslag. I Als van het genoemde in a, b, c, d en e geen sprake is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 8 . II Als van het genoemde in a, b, c, d, of e één of meer keren sprake is, wordt het ontslag onderbouwd op grond van artikel 8 , waarbij tevens wordt aangegeven waarom betrokkene niet in de onder a t/m e bedoelde functie is benoemd. 5.3 Afvloeiingsvolgorde bij vast en tijdelijk dienstverband Het bevoegd gezag overlegt de onderlinge volgorde van ontslag als er sprake is van meerdere ontslagen die gemeld worden. Hierbij zijn voor personeel in vaste dienst de geldende regels t.a.v. de afvloeiingsvolgorde van kracht, en voor personeel uit tijdelijke dienst geldt dat het bevoegd gezag de volgorde vaststelt. Uitgangspunt hierbij is dat ontslag van personeel in vaste dienst, terwijl personeel in tijdelijke dienst gehandhaafd blijft, alleen mogelijk is indien er sprake is van kwalitatieve fricties zoals bedoeld in artikel 8 . In de overige gevallen dient eerst al het tijdelijk benoemde personeel af te vloeien voordat personeel in vaste dienst kan worden ontslagen.