BWBR0029974
Geldig vanaf 2024-06-03
Artikel 10f
Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer
1. De toegankelijkheidsvoorschriften, bedoeld in artikel 10c, eerste en tweede lid, zijn uitsluitend van toepassing voor zover de naleving ervan:
a. geen ingrijpende wijziging van een dienst vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard ervan, en
b. geen onevenredige last voor de betrokken dienstverlener oplevert.
2. Dienstverleners voeren een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de in artikel 10cbedoelde toegankelijkheidsvoorschriften tot een fundamentele wijziging leidt of, overeenkomstig de desbetreffende criteria in bijlage VI bij richtlijn 2019/882, een onevenredige last als bedoeld in het eerste lid van dit artikel oplevert.
3. Dienstverleners documenteren de in het tweede lid genoemde beoordeling. Dienstverleners bewaren alle relevante resultaten gedurende een periode van vijf jaar nadat de dienst voor het laatst op de Nederlandse markt is verleend of aan consumenten in Nederland is aangeboden een dergelijke dienst te verlenen. Dienstverleners verstrekken op verzoek aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, een exemplaar van de in het tweede lid genoemde beoordeling.
4. Dienstverleners die een beroep doen op het eerste lid, onderdeel b, vernieuwen voor elke categorie of soort dienst hun beoordeling van de onevenredige last:
a. naar aanleiding van wijziging van de aangeboden dienst;
b. op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; of
c. in ieder geval, om de vijf jaar.
5. Dienstverleners die uit andere bronnen dan eigen middelen financiering ontvangen ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat, kunnen geen beroep doen op het eerste lid, onderdeel b.
6. Dienstverleners, met uitzondering van micro-ondernemingen, die voor een specifieke dienst een beroep doen op het eerste lid, verstrekken informatie daartoe aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
a. geen ingrijpende wijziging van een dienst vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard ervan, en
b. geen onevenredige last voor de betrokken dienstverlener oplevert.
2. Dienstverleners voeren een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de in artikel 10cbedoelde toegankelijkheidsvoorschriften tot een fundamentele wijziging leidt of, overeenkomstig de desbetreffende criteria in bijlage VI bij richtlijn 2019/882, een onevenredige last als bedoeld in het eerste lid van dit artikel oplevert.
3. Dienstverleners documenteren de in het tweede lid genoemde beoordeling. Dienstverleners bewaren alle relevante resultaten gedurende een periode van vijf jaar nadat de dienst voor het laatst op de Nederlandse markt is verleend of aan consumenten in Nederland is aangeboden een dergelijke dienst te verlenen. Dienstverleners verstrekken op verzoek aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, een exemplaar van de in het tweede lid genoemde beoordeling.
4. Dienstverleners die een beroep doen op het eerste lid, onderdeel b, vernieuwen voor elke categorie of soort dienst hun beoordeling van de onevenredige last:
a. naar aanleiding van wijziging van de aangeboden dienst;
b. op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; of
c. in ieder geval, om de vijf jaar.
5. Dienstverleners die uit andere bronnen dan eigen middelen financiering ontvangen ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat, kunnen geen beroep doen op het eerste lid, onderdeel b.
6. Dienstverleners, met uitzondering van micro-ondernemingen, die voor een specifieke dienst een beroep doen op het eerste lid, verstrekken informatie daartoe aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.