BWBR0029954
Geldig vanaf 2013-06-05
Artikel 16
Regeling hernieuwbare energie vervoer
1. Bij de vaststelling van het percentage, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het besluit, telt biobrandstof die is geproduceerd uit materialen genoemd in:
a. bijlage II, tabel 1, 2 en 3: dubbel;
b. bijlage II, tabel 4 en 5: niet dubbel.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kan de minister op verzoek van de drijver van een inrichting besluiten dat biobrandstof die is geproduceerd uit materialen genoemd in tabel 5 van bijlage IIonder specifieke locatie- of bedrijfsomstandigheden dubbeltellen. De minister kan voorwaarden verbinden aan zijn besluit.
3. Een verzoek als bedoeld in het tweede lid omvat in ieder geval de ontstaanswijze van het materiaal, de huidige toepassingen van het materiaal en de marktcondities. De minister kan om nadere informatie vragen.
4. De minister beoordeelt bij een verzoek als bedoeld in het tweede lid, de materialen als volgt:
a. materiaal dat in de richtlijn of bijbehorende communicaties als residu wordt genoemd, is residu;
b. materiaal dat niet in de richtlijn of bijbehorende communicaties als afval of residu wordt genoemd, is alleen afval of residu als: 1°. er geen alternatieve toepassing is;
2°. het niet een materiaal betreft dat in kwaliteit zodanig is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing;
3°. het geen ongebruikt product betreft waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken;
1°. er geen alternatieve toepassing is;
2°. het niet een materiaal betreft dat in kwaliteit zodanig is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing;
3°. het geen ongebruikt product betreft waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken;
c. materiaal dat niet op grond van onderdeel a of b kan worden gecategoriseerd, is een co-product als: 1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van het betreffende materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van het betreffende materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
d. materiaal dat niet op grond van onderdeel a, b of c kan worden gecategoriseerd, is afval of residu.
5. Ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in het vierde lid, wordt verstaan onder:
a. alternatieve toepassing: toepassing anders dan opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel van biomassa als diervoerder;
b. residu: van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstig restproduct of stof die niet het eindproduct vormt waarop een productieproces rechtstreeks is gericht.
a. bijlage II, tabel 1, 2 en 3: dubbel;
b. bijlage II, tabel 4 en 5: niet dubbel.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kan de minister op verzoek van de drijver van een inrichting besluiten dat biobrandstof die is geproduceerd uit materialen genoemd in tabel 5 van bijlage IIonder specifieke locatie- of bedrijfsomstandigheden dubbeltellen. De minister kan voorwaarden verbinden aan zijn besluit.
3. Een verzoek als bedoeld in het tweede lid omvat in ieder geval de ontstaanswijze van het materiaal, de huidige toepassingen van het materiaal en de marktcondities. De minister kan om nadere informatie vragen.
4. De minister beoordeelt bij een verzoek als bedoeld in het tweede lid, de materialen als volgt:
a. materiaal dat in de richtlijn of bijbehorende communicaties als residu wordt genoemd, is residu;
b. materiaal dat niet in de richtlijn of bijbehorende communicaties als afval of residu wordt genoemd, is alleen afval of residu als: 1°. er geen alternatieve toepassing is;
2°. het niet een materiaal betreft dat in kwaliteit zodanig is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing;
3°. het geen ongebruikt product betreft waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken;
1°. er geen alternatieve toepassing is;
2°. het niet een materiaal betreft dat in kwaliteit zodanig is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing;
3°. het geen ongebruikt product betreft waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken;
c. materiaal dat niet op grond van onderdeel a of b kan worden gecategoriseerd, is een co-product als: 1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van het betreffende materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van het betreffende materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
d. materiaal dat niet op grond van onderdeel a, b of c kan worden gecategoriseerd, is afval of residu.
5. Ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in het vierde lid, wordt verstaan onder:
a. alternatieve toepassing: toepassing anders dan opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel van biomassa als diervoerder;
b. residu: van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstig restproduct of stof die niet het eindproduct vormt waarop een productieproces rechtstreeks is gericht.