BWBR0029926
Geldig vanaf 2012-11-26
Artikel 6
Besluit hernieuwbare energie vervoer
1. Een ieder die in het kader van beroep of bedrijf een hoeveelheid biogas dan wel elektriciteit levert ten behoeve van wegvoertuigen of mobiele machines kan een rekening als bedoeld in artikel 5, eerste lid, openen in het register, waarop de ten behoeve van wegvoertuigen of mobiele machines geleverde hoeveelheid biogas of elektriciteit wordt ingeboekt. De rekening wordt geopend voor de duur van ten minste één kalenderjaar en kan worden opgezegd tegen 1 januari van enig jaar.
2. Door het openen van een rekening als bedoeld in het eerste lid verplicht de betreffende geregistreerde zich tot het aantoonbaar leveren ten behoeve van wegvoertuigen of mobiele machines van biogas dat voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3, derde lid, respectievelijk elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, in ten minste de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde percentages, van de totale hoeveelheid door hem ten behoeve van wegvoertuigen of mobiele machines, geleverde biogas respectievelijk elektriciteit.
3. De hoeveelheid biogas respectievelijk elektriciteit, bedoeld in het tweede lid, kan na aftrek van het in dat lid bedoelde percentage in de vorm van biotickets in eigendom worden overgedragen aan registratieplichtigen.
4. Voor zover de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt geleverd ten behoeve van wegvoertuigen wordt de energie-inhoud op het bioticket, bedoeld in het derde lid, vermenigvuldigd met tweeënhalf.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt vastgesteld.
2. Door het openen van een rekening als bedoeld in het eerste lid verplicht de betreffende geregistreerde zich tot het aantoonbaar leveren ten behoeve van wegvoertuigen of mobiele machines van biogas dat voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3, derde lid, respectievelijk elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, in ten minste de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde percentages, van de totale hoeveelheid door hem ten behoeve van wegvoertuigen of mobiele machines, geleverde biogas respectievelijk elektriciteit.
3. De hoeveelheid biogas respectievelijk elektriciteit, bedoeld in het tweede lid, kan na aftrek van het in dat lid bedoelde percentage in de vorm van biotickets in eigendom worden overgedragen aan registratieplichtigen.
4. Voor zover de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt geleverd ten behoeve van wegvoertuigen wordt de energie-inhoud op het bioticket, bedoeld in het derde lid, vermenigvuldigd met tweeënhalf.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt vastgesteld.