1. Maximaal 15 personen van de buitengewoon opsporingsambtenaren, genoemd in artikel 4, zijn bevoegd om bij de opsporing van de strafbare feiten waarvoor zij zijn beëdigd, gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 7, eerste en derde lid, van de Politiewet 2012.
2. Maximaal 20 personen van de buitengewoon opsporingsambtenaren, genoemd in artikel 4, niet zijnde de personen genoemd in dit artikel in het eerste lid, zijn bevoegd bij de opsporing van de strafbare feiten waarvoor zij zijn beëdigd, gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 7, eerste en derde lid, van de Politiewet 2012en daarbij gebruikmaken van handboeien, een (korte) wapenstok, pepperspray en een vuurwapen.