BWBR0029807
Geldig vanaf 07-04-2011
Artikel 3
Beleidsregels reclame publieke media-instellingen 2011
Reclame- en telewinkelboodschappen binnen het video- en/of audiogedeelte van het media-aanbod
1. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «als zodanig herkenbaar» indien deze voor de gemiddelde oplettende consument door de vorm en inhoud duidelijk herkenbaar zijn als reclame- dan wel telewinkelboodschap.
2. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «duidelijk onderscheiden» van het overige media-aanbod indien deze worden voorafgegaan door en afgesloten met een zichtbare en/of hoorbare omlijsting onder vermelding van «reclame», «advertentie»,«telewinkelboodschap», «Ster»,dan wel woorden van gelijke strekking.
3. Alleen binnen een mediadienst op aanvraag mogen reclame- en telewinkelboodschappen voorafgaand aan of na afloop van de opgevraagde video of audio worden geplaatst, onverminderd het bepaalde in artikel 2.97 van de wet.
4. Reclame- en telewinkelboodschappen die aan het begin of het einde van de video of audio in een mediadienst op aanvraag worden aangeboden behoeven niet te worden opgenomen in blokken als bedoeld in artikel 2.96, eerste lid, onder a, van de wet.
Reclame- en telewinkelboodschappen binnen het tekst- en/of grafische gedeelte van het media-aanbod
5. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «als zodanig herkenbaar» indien deze voor de gemiddelde oplettende consument door de vorm en inhoud duidelijk herkenbaar zijn als reclame- dan wel telewinkelboodschap.
6. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «duidelijk onderscheiden» van het media-aanbod indien deze worden geplaatst in een apart kader dat geen onderdeel uitmaakt van het overige media-aanbod en onder vermelding van «reclame», «advertentie»,«telewinkelboodschap», «Ster»,dan wel woorden van gelijke strekking.
1. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «als zodanig herkenbaar» indien deze voor de gemiddelde oplettende consument door de vorm en inhoud duidelijk herkenbaar zijn als reclame- dan wel telewinkelboodschap.
2. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «duidelijk onderscheiden» van het overige media-aanbod indien deze worden voorafgegaan door en afgesloten met een zichtbare en/of hoorbare omlijsting onder vermelding van «reclame», «advertentie»,«telewinkelboodschap», «Ster»,dan wel woorden van gelijke strekking.
3. Alleen binnen een mediadienst op aanvraag mogen reclame- en telewinkelboodschappen voorafgaand aan of na afloop van de opgevraagde video of audio worden geplaatst, onverminderd het bepaalde in artikel 2.97 van de wet.
4. Reclame- en telewinkelboodschappen die aan het begin of het einde van de video of audio in een mediadienst op aanvraag worden aangeboden behoeven niet te worden opgenomen in blokken als bedoeld in artikel 2.96, eerste lid, onder a, van de wet.
Reclame- en telewinkelboodschappen binnen het tekst- en/of grafische gedeelte van het media-aanbod
5. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «als zodanig herkenbaar» indien deze voor de gemiddelde oplettende consument door de vorm en inhoud duidelijk herkenbaar zijn als reclame- dan wel telewinkelboodschap.
6. Reclame- en telewinkelboodschappen zijn «duidelijk onderscheiden» van het media-aanbod indien deze worden geplaatst in een apart kader dat geen onderdeel uitmaakt van het overige media-aanbod en onder vermelding van «reclame», «advertentie»,«telewinkelboodschap», «Ster»,dan wel woorden van gelijke strekking.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0029807
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl