BWBR0029561
Geldig vanaf 2011-02-11
Artikel IX
Wijzigingsbesluit Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, enz. (formalisering Arbeidsvoorwaardenovereenkomst Rechterlijke Macht 1/1/2005–31/7/2007 en Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke macht 1/8/2007 tot 31/12/2010)
1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die door het UWV in het kader van de WIAminder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, en die vóór 1 januari 2011 is herplaatst in een functie die passende arbeid omvat, ontvangt bij voortdurende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, met ingang van 29 december 2005, gedurende ten hoogste vijf jaar een uitkering van 70% van het verschil tussen:
a. zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing, indien hij op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van zijn arbeid; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering.
2. In afwijking van het eerste lid heeft de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als bedoeld in het eerste lid en van wie de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ook nadat de termijn van vijf jaar is verstreken, recht op een uitkering als bedoeld in het eerste lid.
3. De uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontslag is verleend;
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is overleden.
a. zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing, indien hij op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van zijn arbeid; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering.
2. In afwijking van het eerste lid heeft de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als bedoeld in het eerste lid en van wie de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ook nadat de termijn van vijf jaar is verstreken, recht op een uitkering als bedoeld in het eerste lid.
3. De uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontslag is verleend;
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is overleden.