BWBR0029277
Geldig vanaf 2025-06-03
Artikel 1
Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Inspectie Leefomgeving en Transport op het domein scheepvaart
Als ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport als bedoeld in de hierna genoemde artikelen, worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht:
– artikel 45a, eerste lid, van de Loodsenwet;
– de artikelen 25, eerste lid, en 26, eerste lid, van de Meetbrievenwet 1981;
– artikel 34, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet;
– artikel 15, eerste lid, van de Wet laden en lossen zeeschepen;
– artikel 13, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen 2016;
– artikel 18 van de Regeling scheepsuitrusting 2016;
– de artikelen 8, derde lid, 8b, derde lid, 14, eerste lid, 20, eerste lid, 21, 22, tweede en derde lid, 23, eerste en tweede lid, 24 en 25, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;
– artikel 61, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen;
– artikel 27, derde en vierde lid, van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen;
– artikel 2.3.1, derde lid, van het Besluit bemanning zeeschepen;
– de artikelen 43, eerste lid, en 85, eerste lid en vijfde lid, van het Schepelingenbesluit;
– artikel 8 van de Regeling havenontvangstvoorzieningen;
– de artikelen 3, 4, eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 5, eerste lid, 6b, 6c, eerste en derde lid, 7, 7a, 8, eerste, derde, vierde en zesde lid, 8, vijfde, zevende en achtste lid, 8a, 8b, 8c, 9a, eerste lid, en 10 van de Regeling havenstaatcontrole;
– de artikelen 26, 27 en 35 van de Wet bestrijding maritieme ongevallen;
– artikel 22, onderdeel a, van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen;
– artikel 8a.3, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming.
– artikel 45a, eerste lid, van de Loodsenwet;
– de artikelen 25, eerste lid, en 26, eerste lid, van de Meetbrievenwet 1981;
– artikel 34, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet;
– artikel 15, eerste lid, van de Wet laden en lossen zeeschepen;
– artikel 13, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen 2016;
– artikel 18 van de Regeling scheepsuitrusting 2016;
– de artikelen 8, derde lid, 8b, derde lid, 14, eerste lid, 20, eerste lid, 21, 22, tweede en derde lid, 23, eerste en tweede lid, 24 en 25, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;
– artikel 61, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen;
– artikel 27, derde en vierde lid, van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen;
– artikel 2.3.1, derde lid, van het Besluit bemanning zeeschepen;
– de artikelen 43, eerste lid, en 85, eerste lid en vijfde lid, van het Schepelingenbesluit;
– artikel 8 van de Regeling havenontvangstvoorzieningen;
– de artikelen 3, 4, eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 5, eerste lid, 6b, 6c, eerste en derde lid, 7, 7a, 8, eerste, derde, vierde en zesde lid, 8, vijfde, zevende en achtste lid, 8a, 8b, 8c, 9a, eerste lid, en 10 van de Regeling havenstaatcontrole;
– de artikelen 26, 27 en 35 van de Wet bestrijding maritieme ongevallen;
– artikel 22, onderdeel a, van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen;
– artikel 8a.3, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming.