BWBR0029237
Geldig vanaf 2011-01-01
Artikel 5
Subsidieregeling tweede graden hbo en wo
Het subsidiebedrag per instelling bestaat uit de optelsom van bedragen die zijn vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, voor die opleidingen die voldoen aan de vereisten genoemd in artikel 2.
1. Per opleiding wordt een bedrag vastgesteld als het product van: a. het studentgebonden bedrag per graad, bedoeld in artikel 4.7, derde lid van het besluit, zoals bepaald bij de vaststelling van de voorlopige rijksbijdrage uiterlijk in oktober van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt;
b. het bekostigingsniveau per opleiding, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid van het besluit; en
c. het aantal tweede graden, bedoeld in artikel 2, dat door de instelling is verleend in de periode van 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, tot en met 30 september in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt.
a. het studentgebonden bedrag per graad, bedoeld in artikel 4.7, derde lid van het besluit, zoals bepaald bij de vaststelling van de voorlopige rijksbijdrage uiterlijk in oktober van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt;
b. het bekostigingsniveau per opleiding, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid van het besluit; en
c. het aantal tweede graden, bedoeld in artikel 2, dat door de instelling is verleend in de periode van 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, tot en met 30 september in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt.
2. Een bedrag dat is vastgesteld als het product van het bedrag per gewogen graad vastgesteld op grond van artikel 4.20 van het besluit, zoals bepaald bij de vaststelling van de voorlopige rijksbijdrage uiterlijk in oktober van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, en het aantal tweede graden zoals bedoeld in het eerste lid onder c.
1. Per opleiding wordt een bedrag vastgesteld als het product van: a. het studentgebonden bedrag per graad, bedoeld in artikel 4.7, derde lid van het besluit, zoals bepaald bij de vaststelling van de voorlopige rijksbijdrage uiterlijk in oktober van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt;
b. het bekostigingsniveau per opleiding, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid van het besluit; en
c. het aantal tweede graden, bedoeld in artikel 2, dat door de instelling is verleend in de periode van 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, tot en met 30 september in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt.
a. het studentgebonden bedrag per graad, bedoeld in artikel 4.7, derde lid van het besluit, zoals bepaald bij de vaststelling van de voorlopige rijksbijdrage uiterlijk in oktober van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt;
b. het bekostigingsniveau per opleiding, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid van het besluit; en
c. het aantal tweede graden, bedoeld in artikel 2, dat door de instelling is verleend in de periode van 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, tot en met 30 september in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt.
2. Een bedrag dat is vastgesteld als het product van het bedrag per gewogen graad vastgesteld op grond van artikel 4.20 van het besluit, zoals bepaald bij de vaststelling van de voorlopige rijksbijdrage uiterlijk in oktober van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, en het aantal tweede graden zoals bedoeld in het eerste lid onder c.