BWBR0029065
Geldig vanaf 2010-10-10
Artikel 5
Onderlinge regeling ex artikel 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, inzake de samenwerking tussen de landen bij de implementatie van verdragen
1. Elk land verstrekt desgevraagd gegevens over de wijze waarop het land voornemens is een verdrag te implementeren.
2. Indien een land bijstand noodzakelijk acht bij het uitvoeren van het implementatieplan wordt een gemotiveerd verzoek voor deze bijstand bij het implementatieplan gevoegd.
3. Het aangezochte land meldt het verzoekende land zo spoedig mogelijk of aan het verzoek al dan niet gevolg kan worden gegeven.
4. Een verzoek om bijstand kan niet worden geweigerd indien de belangen van het Koninkrijk worden geraakt door het uitblijven van tijdige en juiste implementatie door het verzoekende land, tenzij:
a. de gevraagde bijstand niet beschikbaar is;
b. de gevraagde bijstand niet binnen de gevraagde termijn geleverd kan worden; of,
c. in redelijkheid de bijstand niet kan worden verleend.
5. Het aangezochte land verstrekt in ieder geval zo spoedig mogelijk de ontwerp-regeling die is opgesteld ten behoeve van de implementatie van het desbetreffende verdrag in het aangezochte land.
6. In het geval alle aangezochte landen een beroep doen op de weigeringsgronden vermeld in het vierde lid en het verzoekende land niet in staat blijkt tijdig uitvoering te geven aan het implementatieplan, wordt deze omstandigheid door de landen in de raad van ministers van het Koninkrijk mede in de overwegingen betrokken inzake het al dan niet treffen van een algemene maatregel van bestuur of een rijkswet als bedoeld in artikel 27, derde lid, van het Statuut.
2. Indien een land bijstand noodzakelijk acht bij het uitvoeren van het implementatieplan wordt een gemotiveerd verzoek voor deze bijstand bij het implementatieplan gevoegd.
3. Het aangezochte land meldt het verzoekende land zo spoedig mogelijk of aan het verzoek al dan niet gevolg kan worden gegeven.
4. Een verzoek om bijstand kan niet worden geweigerd indien de belangen van het Koninkrijk worden geraakt door het uitblijven van tijdige en juiste implementatie door het verzoekende land, tenzij:
a. de gevraagde bijstand niet beschikbaar is;
b. de gevraagde bijstand niet binnen de gevraagde termijn geleverd kan worden; of,
c. in redelijkheid de bijstand niet kan worden verleend.
5. Het aangezochte land verstrekt in ieder geval zo spoedig mogelijk de ontwerp-regeling die is opgesteld ten behoeve van de implementatie van het desbetreffende verdrag in het aangezochte land.
6. In het geval alle aangezochte landen een beroep doen op de weigeringsgronden vermeld in het vierde lid en het verzoekende land niet in staat blijkt tijdig uitvoering te geven aan het implementatieplan, wordt deze omstandigheid door de landen in de raad van ministers van het Koninkrijk mede in de overwegingen betrokken inzake het al dan niet treffen van een algemene maatregel van bestuur of een rijkswet als bedoeld in artikel 27, derde lid, van het Statuut.