BWBR0028690
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 5
Regeling gebruik hoogtemeter BES
1. Vóór de aanvang van een vlucht wordt elke drukhoogtemeter gecontroleerd op juiste aanwijzing.
2. Vóór het opstijgen wordt tenminste één drukhoogtemeter ingesteld op de QNH van het luchtvaartterrein en wordt de hoogte van het luchtvaartuig uitgedrukt in voeten boven zeeniveau tot en met het bereiken van de overgangshoogte.
3. Bij het tijdens de stijgvlucht passeren van de overgangshoogte wordt tenminste één drukhoogtemeter ingesteld op de drukwaarde van 1013.2 hPa en wordt de hoogte van het luchtvaartuig uitgedrukt in termen van vliegniveau.
4. Bij het tijdens de daalvlucht passeren van het overgangsniveau wordt tenminste één drukhoogtemeter ingesteld op de QNH van het luchtvaartterrein en wordt de hoogte van het luchtvaartuig uitgedrukt in voeten boven zeeniveau
2. Vóór het opstijgen wordt tenminste één drukhoogtemeter ingesteld op de QNH van het luchtvaartterrein en wordt de hoogte van het luchtvaartuig uitgedrukt in voeten boven zeeniveau tot en met het bereiken van de overgangshoogte.
3. Bij het tijdens de stijgvlucht passeren van de overgangshoogte wordt tenminste één drukhoogtemeter ingesteld op de drukwaarde van 1013.2 hPa en wordt de hoogte van het luchtvaartuig uitgedrukt in termen van vliegniveau.
4. Bij het tijdens de daalvlucht passeren van het overgangsniveau wordt tenminste één drukhoogtemeter ingesteld op de QNH van het luchtvaartterrein en wordt de hoogte van het luchtvaartuig uitgedrukt in voeten boven zeeniveau
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028690
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl