BWBR0028490
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 2
Wet identificatie bij dienstverlening BES
1. De dienstverlener is verplicht voordat hij aan een cliënt een dienst verleent of met een cliënt een relatie aangaat gericht op het gedurende ten minste enige tijd verlenen van diensten:
a. de identiteit van de cliënt vast te stellen en te verifiëren;
b. indien van toepassing, de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende vast te stellen en redelijke maatregelen te treffen om deze te verifiëren;
c. indien van toepassing, het doel en de beoogde aard van de bedoelde relatie vast te stellen;
d. indien de cliënt niet een natuurlijke persoon is, adequate maatregelen te nemen om inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt.
Indien de cliënt een natuurlijke persoon is die onbekwaam is de met de dienst verband houdende rechtshandeling te verrichten, kan de dienstverlener volstaan met het vaststellen van de identiteit van degene die daarbij als de wettelijke vertegenwoordiger optreedt.
2. Het eerste lid is bovendien van toepassing indien:
a. bij het verlenen van de dienst, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7°, niet bekend is welk bedrag daarmee gemoeid zal zijn;
b. de premie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5°, de uitkering, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 6° of het bedrag van de transactie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7°, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de dienst betrekking heeft op een transactie die aan de hand van de ingevolge artikel 10 van de Wet melding ongebruikelijke transacties BES vastgestelde indicatoren als een ongebruikelijke transactie als bedoeld in die wet dient te worden aangemerkt; of
c. de premie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5°, de uitkering, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 6°, of het bedrag van de transactie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7°, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de dienstverlener weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de transactie waarop de dienst betrekking heeft deel uitmaakt van een geheel van met elkaar samenhangende transacties, waarbij verschillende financiële instellingen zijn betrokken. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid voorts van toepassing is in bij die regeling aan te geven gevallen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de dienst bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5° en 6° voor zover het betreft een door een levensverzekeringsbedrijf aangeboden pensioenverzekering, tenzij deze wordt afgekocht of als zekerheidsstelling dient.
4. Door Onze Minister kan vrijstelling worden verleend van het bepaalde in het eerste lid indien als cliënt optreedt:
a. een onderneming of instelling die geregistreerd is ingevolge artikel 11 van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES of een levensverzekeringsbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES;
b. een onderneming of instelling die behoort tot een door Onze Minister aan te wijzen categorie.
5. Onze Minister kan op verzoek ontheffing verlenen van het eerste lid.
6. Aan een vrijstelling als bedoeld in het vierde lid en aan een ontheffing als bedoeld in het vijfde lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende verscherpt cliëntenonderzoek en aanvullend onderzoek voor het aangaan en onderhouden van vaste relaties voor de afwikkeling van transacties of de uitvoering van opdrachten en daarmee vergelijkbare betrekkingen.
a. de identiteit van de cliënt vast te stellen en te verifiëren;
b. indien van toepassing, de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende vast te stellen en redelijke maatregelen te treffen om deze te verifiëren;
c. indien van toepassing, het doel en de beoogde aard van de bedoelde relatie vast te stellen;
d. indien de cliënt niet een natuurlijke persoon is, adequate maatregelen te nemen om inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt.
Indien de cliënt een natuurlijke persoon is die onbekwaam is de met de dienst verband houdende rechtshandeling te verrichten, kan de dienstverlener volstaan met het vaststellen van de identiteit van degene die daarbij als de wettelijke vertegenwoordiger optreedt.
2. Het eerste lid is bovendien van toepassing indien:
a. bij het verlenen van de dienst, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7°, niet bekend is welk bedrag daarmee gemoeid zal zijn;
b. de premie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5°, de uitkering, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 6° of het bedrag van de transactie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7°, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de dienst betrekking heeft op een transactie die aan de hand van de ingevolge artikel 10 van de Wet melding ongebruikelijke transacties BES vastgestelde indicatoren als een ongebruikelijke transactie als bedoeld in die wet dient te worden aangemerkt; of
c. de premie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5°, de uitkering, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 6°, of het bedrag van de transactie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7°, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de dienstverlener weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de transactie waarop de dienst betrekking heeft deel uitmaakt van een geheel van met elkaar samenhangende transacties, waarbij verschillende financiële instellingen zijn betrokken. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid voorts van toepassing is in bij die regeling aan te geven gevallen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de dienst bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5° en 6° voor zover het betreft een door een levensverzekeringsbedrijf aangeboden pensioenverzekering, tenzij deze wordt afgekocht of als zekerheidsstelling dient.
4. Door Onze Minister kan vrijstelling worden verleend van het bepaalde in het eerste lid indien als cliënt optreedt:
a. een onderneming of instelling die geregistreerd is ingevolge artikel 11 van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES of een levensverzekeringsbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES;
b. een onderneming of instelling die behoort tot een door Onze Minister aan te wijzen categorie.
5. Onze Minister kan op verzoek ontheffing verlenen van het eerste lid.
6. Aan een vrijstelling als bedoeld in het vierde lid en aan een ontheffing als bedoeld in het vijfde lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende verscherpt cliëntenonderzoek en aanvullend onderzoek voor het aangaan en onderhouden van vaste relaties voor de afwikkeling van transacties of de uitvoering van opdrachten en daarmee vergelijkbare betrekkingen.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028490
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl