BWBR0028430
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 3
Besluit voogdijraden 1970 BES
1. De leden, waaronder begrepen de plaatsvervangende leden, worden door Onze Minister benoemd en ontslagen.
2. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en ontslagen.
3. Voor de benoeming van de secretaris, een lid of plaatsvervangend lid biedt de voogdijraad een alfabetisch ingerichte aanbeveling van twee personen aan Onze Minister aan.
4. De benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden geschiedt voor de tijd van zes jaar, met dien verstande dat, met uitzondering van de voorzitter, de helft van het aantal leden aftreedt om de drie jaren volgens een door Onze Minister opgemaakte rooster.
5. De aftredende leden en plaatsvervangende leden zijn terstond herbenoembaar.
6. Tussentijds ontslag wordt verleend aan een lid of plaatsvervangend lid:
a. bij het bereiken van de leeftijd van zestig jaar met ingang van de eerste dag van de daarop volgend maand. Onze Minister kan echter in bijzondere gevallen hiervan afwijken, doch slechts voor zover het de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba betreft.
b. op eigen verzoek.
7. Buitendien wordt tussentijds ontslag aan een lid of plaatsvervangend lid verleend:
a. indien hij zich metterwoon vestigt buiten het openbaar lichaam of het eiland waar de raad gevestigd is;
b. bij gebleken ongeschiktheid wegens ouderdom, ziekte of andere omstandigheden;
c. ingeval hij onder curatele is gesteld;
d. ingeval hij bij onherroepelijk vonnis veroordeeld is geworden vanwege enig misdrijf;
e. wegens slecht levensgedrag.
8. Hij, die ter vervulling ener vacature, buiten de in de rooster bepaalde tijd opengevallen, tot lid benoemd is, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, moet aftreden.
2. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en ontslagen.
3. Voor de benoeming van de secretaris, een lid of plaatsvervangend lid biedt de voogdijraad een alfabetisch ingerichte aanbeveling van twee personen aan Onze Minister aan.
4. De benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden geschiedt voor de tijd van zes jaar, met dien verstande dat, met uitzondering van de voorzitter, de helft van het aantal leden aftreedt om de drie jaren volgens een door Onze Minister opgemaakte rooster.
5. De aftredende leden en plaatsvervangende leden zijn terstond herbenoembaar.
6. Tussentijds ontslag wordt verleend aan een lid of plaatsvervangend lid:
a. bij het bereiken van de leeftijd van zestig jaar met ingang van de eerste dag van de daarop volgend maand. Onze Minister kan echter in bijzondere gevallen hiervan afwijken, doch slechts voor zover het de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba betreft.
b. op eigen verzoek.
7. Buitendien wordt tussentijds ontslag aan een lid of plaatsvervangend lid verleend:
a. indien hij zich metterwoon vestigt buiten het openbaar lichaam of het eiland waar de raad gevestigd is;
b. bij gebleken ongeschiktheid wegens ouderdom, ziekte of andere omstandigheden;
c. ingeval hij onder curatele is gesteld;
d. ingeval hij bij onherroepelijk vonnis veroordeeld is geworden vanwege enig misdrijf;
e. wegens slecht levensgedrag.
8. Hij, die ter vervulling ener vacature, buiten de in de rooster bepaalde tijd opengevallen, tot lid benoemd is, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, moet aftreden.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028430
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl