1. De waarden, aangewezen in Artikel 4, onderdelen a tot en met h, worden in open bewaring gegeven bij een kredietinstelling die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES.
2. De waarden worden in de openbare lichamen bewaard tenzij de Bank van deze bepaling ontheffing verleent. De bewaarneemster draagt zelfstandig zorg voor de verkrijging van nieuwe coupon- en dividendbladen en voor bewaargeving in verband met het bijwonen van vergaderingen door de verzekeraar.
3. Zonder schriftelijke toestemming van de Bank worden de waarden niet aan de verzekeraar afgegeven en zullen ten aanzien daarvan geen rechtshandelingen worden verricht. De bewaarneemster mag evenwel coupons en dividendbewijzen, mits niet vroeger dan veertien dagen voor de dag der betaalbaarstelling, zonder toestemming van de Bank aan de verzekeraar afgeven, tenzij de Bank haar dit heeft verboden. De Bank deelt dit verbod onmiddellijk schriftelijk aan de verzekeraar mee.
4. De waarden moeten op verzoek van de Bank aan haar ter bewaring worden afgegeven, indien:
a. de Bank haar goedkeuring van de bewaarneemster intrekt; of
b. de bewaarneemster de overeenkomst met de verzekeraar beëindigt.
5. Vanaf de dertigste dag na de afgifte, bedoeld in het vierde lid, is de Bank bevoegd de waarden overeenkomstig dit artikel in bewaring te geven op kosten van de verzekeraar.