BWBR0027979
Geldig vanaf 2010-07-29
Artikel 3
Mandaatbesluit openbaar ministerie regionaal directeur bedrijfsvoering arrondissementsparketten te Alkmaar en Haarlem 2009
1. De regionaal directeur bedrijfsvoering is gehouden bij het uitoefenen van bevoegdheden de verplichting na te leven tot het vaststellen van de hoofdlijnen van arbeidsomstandighedenbeleid gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het welzijn van de binnen zijn gezagsbereik werkzame ambtenaren in verband met de arbeid.
2. Van het beheer-, budget- en personeelsmandaat zijn uitgesloten:
a. Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer.
b. Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van: i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie;
i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie;
c. Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
3. Van het beheer-, budget-, personeelsmandaat wordt gebruik gemaakt met inachtneming van:
a. de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
b. de Comptabiliteitswet;
c. de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie;
d. de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en;
e. de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen de regio ‘naam’.
4. De regionaal directeur bedrijfsvoering legt over het gevoerde bedrijfsvoeringbeleid en het gevoerde beheer verantwoording af aan de voorzitter van het Bestuur.
5. De regionaal directeur bedrijfsvoering is gehouden schriftelijke beslissingen die op grond van zijn budgetmandaat, organisatie en formatiemandaat, beheermandaat, personeelsmandaat en mandaat arbeidsomstandigheden worden genomen, als volgt te ondertekenen:
‘De Minister van Justitie’
‘namens deze,’
‘naam ondertekenaar’
‘directeur bedrijfsvoering’.
2. Van het beheer-, budget- en personeelsmandaat zijn uitgesloten:
a. Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer.
b. Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van: i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie;
i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie;
c. Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
3. Van het beheer-, budget-, personeelsmandaat wordt gebruik gemaakt met inachtneming van:
a. de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
b. de Comptabiliteitswet;
c. de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie;
d. de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en;
e. de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen de regio ‘naam’.
4. De regionaal directeur bedrijfsvoering legt over het gevoerde bedrijfsvoeringbeleid en het gevoerde beheer verantwoording af aan de voorzitter van het Bestuur.
5. De regionaal directeur bedrijfsvoering is gehouden schriftelijke beslissingen die op grond van zijn budgetmandaat, organisatie en formatiemandaat, beheermandaat, personeelsmandaat en mandaat arbeidsomstandigheden worden genomen, als volgt te ondertekenen:
‘De Minister van Justitie’
‘namens deze,’
‘naam ondertekenaar’
‘directeur bedrijfsvoering’.