BWBR0027955
Geldig vanaf 2010-07-22
Artikel 15
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2010
1. De volgende bevoegdheden ten behoeve van de Inspectie Werk en Inkomen zijn voorbehouden aan de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in zijn functie van inspecteur-generaal, genoemd in artikel 36 van de Wet structuur uitvoering werk en inkomen:
a. het vaststellen van de plannen, genoemd in artikel 38 van de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, jaarplannen van de Inspectie Werk en Inkomen betreffende door de Auditdienst van het ministerie uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het organisatiegerichte rechtmatigheids- en doelmatigheidstoezicht van de Inspectie Werk en Inkomen, en rapporten die worden toegezonden aan de minister;
b. het vaststellen en ondertekenen van brieven, gericht aan een bewindspersoon of de secretaris-generaal, alsmede brieven ter aanbieding van vastgestelde jaarplannen, meerjarenplannen en rapporten aan instellingen die onder toezicht staan van de Inspectie Werk en Inkomen.
2. De in het artikel 14, eerste lid, genoemde bevoegdheid omvat voor de directeur van de Inspectie Werk en Inkomen mede de bevoegdheid tot het maken van werkafspraken met de directeur van de Auditdienst van het ministerie over de uitvoering van door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in zijn functie van inspecteur-generaal, genoemd in artikel 36 van de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, vastgestelde jaarplannen betreffende de door de Auditdienst van het ministerie in opdracht van de Inspectie Werk en Inkomen uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het rechtmatigheids- en doelmatigheidstoezicht (exclusief doeltreffendheid) van de Inspectie Werk en Inkomen, voor zover dat is gericht op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 2, respectievelijk artikel 3 van de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, en over afzonderlijk door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid in bovengenoemde functie aan de directeur van de Auditdienst opgedragen werkzaamheden.
a. het vaststellen van de plannen, genoemd in artikel 38 van de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, jaarplannen van de Inspectie Werk en Inkomen betreffende door de Auditdienst van het ministerie uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het organisatiegerichte rechtmatigheids- en doelmatigheidstoezicht van de Inspectie Werk en Inkomen, en rapporten die worden toegezonden aan de minister;
b. het vaststellen en ondertekenen van brieven, gericht aan een bewindspersoon of de secretaris-generaal, alsmede brieven ter aanbieding van vastgestelde jaarplannen, meerjarenplannen en rapporten aan instellingen die onder toezicht staan van de Inspectie Werk en Inkomen.
2. De in het artikel 14, eerste lid, genoemde bevoegdheid omvat voor de directeur van de Inspectie Werk en Inkomen mede de bevoegdheid tot het maken van werkafspraken met de directeur van de Auditdienst van het ministerie over de uitvoering van door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in zijn functie van inspecteur-generaal, genoemd in artikel 36 van de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, vastgestelde jaarplannen betreffende de door de Auditdienst van het ministerie in opdracht van de Inspectie Werk en Inkomen uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het rechtmatigheids- en doelmatigheidstoezicht (exclusief doeltreffendheid) van de Inspectie Werk en Inkomen, voor zover dat is gericht op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 2, respectievelijk artikel 3 van de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, en over afzonderlijk door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid in bovengenoemde functie aan de directeur van de Auditdienst opgedragen werkzaamheden.