BWBR0027858
Geldig vanaf 2010-07-06
Artikel 3
Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water
1. Subsidiabele kosten zijn uitsluitend:
a. de volgende na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten: 1°. loonkosten van direct bij een project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten;
1°. loonkosten van direct bij een project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten;
b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde loonkosten.
2. In afwijking van het eerste lid mag de subsidieaanvrager de in dat lid genoemde loonkosten berekenen op basis van een binnen zijn organisatie gebruikelijke en controleerbare methodiek, gebaseerd op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Dit wordt onderbouwd met een accountantsverklaring.
3. Indien de aanvrager bij toepassing van het tweede lid geen integraal uurtarief hanteert, kan op diens verzoek dit tarief worden vervangen door een uurtarief van € 35,–.
4. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, geldt daarvoor een uurtarief van € 35,–.
a. de volgende na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten: 1°. loonkosten van direct bij een project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten;
1°. loonkosten van direct bij een project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten;
b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde loonkosten.
2. In afwijking van het eerste lid mag de subsidieaanvrager de in dat lid genoemde loonkosten berekenen op basis van een binnen zijn organisatie gebruikelijke en controleerbare methodiek, gebaseerd op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Dit wordt onderbouwd met een accountantsverklaring.
3. Indien de aanvrager bij toepassing van het tweede lid geen integraal uurtarief hanteert, kan op diens verzoek dit tarief worden vervangen door een uurtarief van € 35,–.
4. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, geldt daarvoor een uurtarief van € 35,–.