BWBR0027687
Geldig vanaf 2010-06-01
Artikel 2
Instellingsbesluit Commissie Onderwijs en Besturing Middelbaar Beroepsonderwijs
1. Er is een Commissie Onderwijs en Besturing BVE.
2. De commissie is onafhankelijk en kan zonder last en ruggespraak onderzoek en analyses uitvoeren, conclusies trekken en aanbevelingen doen.
3. De commissie heeft tot taak:
a) Het analyseren van de wijze waarop de brede opdracht aan de BVE-sector (initieel onderwijs, een leven lang leren en educatie) wordt uitgevoerd, welke problemen zich daarbij voordoen of hebben voorgedaan en of de afzonderlijke (beleids)maatregelen die de laatste jaren getroffen zijn in samenhang voldoende zijn om de brede opdracht te ondersteunen;
b) het onderzoeken van de feitelijke en ervaren belemmerende en bevorderende factoren voor de organisatie van het onderwijs en de besturing in de BVE-sector;
c) het op basis van de onderdelen a en b doen van aanbevelingen voor maatregelen op de korte en op de langere termijn op het niveau van de overheid, op het niveau van werknemers en werkgevers en op lokaal en instellingsniveau;
d) bij deze aanbevelingen expliciet aandacht te besteden aan de verdeling van verantwoordelijkheden in en rondom de sector (governance) en aan de macrodoelmatigheid van het aanbod aan opleidingen en kwalificaties;
e) het inzetten op breed draagvlak voor de in onderdeel c en d genoemde aanbevelingen.
4. Voor de aanbevelingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen c en d, gelden de volgende uitgangspunten:
a) de kwaliteit van het onderwijsprogramma moet goed zijn;
b) de financiële ruimte is bepaald door het thans beschikbare budget;
c) het mbo kwalificeert drievoudig, te weten voor samenleving, arbeidsmarkt en doorstroom naar hogere opleidingen.
2. De commissie is onafhankelijk en kan zonder last en ruggespraak onderzoek en analyses uitvoeren, conclusies trekken en aanbevelingen doen.
3. De commissie heeft tot taak:
a) Het analyseren van de wijze waarop de brede opdracht aan de BVE-sector (initieel onderwijs, een leven lang leren en educatie) wordt uitgevoerd, welke problemen zich daarbij voordoen of hebben voorgedaan en of de afzonderlijke (beleids)maatregelen die de laatste jaren getroffen zijn in samenhang voldoende zijn om de brede opdracht te ondersteunen;
b) het onderzoeken van de feitelijke en ervaren belemmerende en bevorderende factoren voor de organisatie van het onderwijs en de besturing in de BVE-sector;
c) het op basis van de onderdelen a en b doen van aanbevelingen voor maatregelen op de korte en op de langere termijn op het niveau van de overheid, op het niveau van werknemers en werkgevers en op lokaal en instellingsniveau;
d) bij deze aanbevelingen expliciet aandacht te besteden aan de verdeling van verantwoordelijkheden in en rondom de sector (governance) en aan de macrodoelmatigheid van het aanbod aan opleidingen en kwalificaties;
e) het inzetten op breed draagvlak voor de in onderdeel c en d genoemde aanbevelingen.
4. Voor de aanbevelingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen c en d, gelden de volgende uitgangspunten:
a) de kwaliteit van het onderwijsprogramma moet goed zijn;
b) de financiële ruimte is bepaald door het thans beschikbare budget;
c) het mbo kwalificeert drievoudig, te weten voor samenleving, arbeidsmarkt en doorstroom naar hogere opleidingen.