BWBR0027429
Geldig vanaf 2024-03-01
Artikel 19d
Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten
1. Voor zover het toepasselijke verdrag daarin voorziet, wordt in afwijking van artikel 10, zesde lid, de verzoekende staat er binnen tien dagen na datum van de voorlopige aanhouding door de procureur-generaal van in kennis gesteld of de aangehoudene al dan niet een verklaring overeenkomstig artikel 19bheeft afgelegd teneinde de verzoekende staat in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering in te dienen. Indien een verklaring overeenkomstig artikel 19b is afgelegd nadat de termijn van tien dagen is verstreken, wordt de procedure, bedoeld in artikel 19c, toegepast.
2. Na de dag waarop een verklaring overeenkomstig artikel 19bis afgelegd, kan de aangehoudene op bevel van de rechter-commissaris ten hoogste veertig dagen in bewaring gesteld blijven of gesteld worden. Wanneer de uitlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van veertig dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan deze termijn op vordering van de procureur-generaal door de rechter-commissaris voor ten hoogste dertig dagen worden verlengd. De aangehoudene wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering tot verlenging door de rechter-commissaris te worden gehoord.
3. Indien de aangehoudene een verklaring als bedoeld in artikel 19bheeft afgelegd, maar de procureur-generaal niettemin besluit de procedure, bedoeld in artikel 19c, niet toe te passen, stelt de procureur-generaal de verzoekende staat daarvan zo spoedig mogelijk in kennis om deze in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering langs de diplomatieke weg in te dienen voordat de gestelde termijn in artikel 10, zesde lid, verstrijkt. Het tweede lid blijft in dat geval buiten toepassing.
2. Na de dag waarop een verklaring overeenkomstig artikel 19bis afgelegd, kan de aangehoudene op bevel van de rechter-commissaris ten hoogste veertig dagen in bewaring gesteld blijven of gesteld worden. Wanneer de uitlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van veertig dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan deze termijn op vordering van de procureur-generaal door de rechter-commissaris voor ten hoogste dertig dagen worden verlengd. De aangehoudene wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering tot verlenging door de rechter-commissaris te worden gehoord.
3. Indien de aangehoudene een verklaring als bedoeld in artikel 19bheeft afgelegd, maar de procureur-generaal niettemin besluit de procedure, bedoeld in artikel 19c, niet toe te passen, stelt de procureur-generaal de verzoekende staat daarvan zo spoedig mogelijk in kennis om deze in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering langs de diplomatieke weg in te dienen voordat de gestelde termijn in artikel 10, zesde lid, verstrijkt. Het tweede lid blijft in dat geval buiten toepassing.