BWBR0027255
Geldig vanaf 2010-02-19
Artikel 2
Besluit machtiging P-Direkt (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie.
2. a. In het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens betreft deze machtiging om als bewerker als bedoeld in artikel 1 van vernoemde wet, persoongegevens in de zin van artikel 1, eerste lid, onder e van de wet te verwerken.
b. De verwerking van gegevens als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Wet bescherming persoonsgegevens vindt slechts plaats na een besluit van of namens de minister, als bedoeld in artikel 36, derde lid Wet bescherming persoonsgegevens
3. a. In het kader van de Archiefwet 1995 wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister papieren documenten te vervangen door reproducties, en aldus vervangen papieren documenten te vernietigen overeenkomstig artikel 7 van de Archiefwet 1995;
b. In het kader van de Archiefwet 1995 wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister papieren documenten te scannen en de gescande documenten aan het digitale dossier toe te voegen, waarbij de originele papieren documenten worden bewaard totdat vervanging als bedoeld in het derde lid, onder a, is toegestaan;
c. In het kader van de Archiefwet 1995 wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister de archiefbescheiden te vernietigen overeenkomstig artikel 3 van deze wet.
4. Voor de toepassing van artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuurworden documenten die berusten bij P-Direkt geacht te berusten bij het ministerie.
Verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur tot openbaarmaking van documenten worden door de minister beantwoord. Documenten worden niet geopenbaard dan na een daartoe strekkend individueel besluit van de minister.
2. a. In het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens betreft deze machtiging om als bewerker als bedoeld in artikel 1 van vernoemde wet, persoongegevens in de zin van artikel 1, eerste lid, onder e van de wet te verwerken.
b. De verwerking van gegevens als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Wet bescherming persoonsgegevens vindt slechts plaats na een besluit van of namens de minister, als bedoeld in artikel 36, derde lid Wet bescherming persoonsgegevens
3. a. In het kader van de Archiefwet 1995 wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister papieren documenten te vervangen door reproducties, en aldus vervangen papieren documenten te vernietigen overeenkomstig artikel 7 van de Archiefwet 1995;
b. In het kader van de Archiefwet 1995 wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister papieren documenten te scannen en de gescande documenten aan het digitale dossier toe te voegen, waarbij de originele papieren documenten worden bewaard totdat vervanging als bedoeld in het derde lid, onder a, is toegestaan;
c. In het kader van de Archiefwet 1995 wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister de archiefbescheiden te vernietigen overeenkomstig artikel 3 van deze wet.
4. Voor de toepassing van artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuurworden documenten die berusten bij P-Direkt geacht te berusten bij het ministerie.
Verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur tot openbaarmaking van documenten worden door de minister beantwoord. Documenten worden niet geopenbaard dan na een daartoe strekkend individueel besluit van de minister.