BWBR0026856
Geldig vanaf 2010-01-01
Artikel 6
Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2010
1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
b. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door de minister of een hoofd van dienst moeten worden vastgesteld;
c. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
d. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst: 1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
e. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voor zover niet vallend onder artikel 4, tweede lid, onderdeel a, of behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
f. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
g. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, behoren in ieder geval:
a. het vaststellen van de organisatie en formatie van de diensten, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
c. het vaststellen van interne circulaires;
d. de P&O-aangelegenheden van het Bureau Bestuursraad, de directie Algemene Economische Politiek en het Bureau Europa;
e. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden;
f. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
g. besluiten ten aanzien van ambtenaren voor wie salarisschaal 15 of hoger van bijlage B van het BBRA geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, inhoudende: 1°. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
2°. het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3°. het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4°. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR;.
7°. het schorsen van een ambtenaar op basis van artikel 91 van het ARAR;
8°. het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.
1°. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
2°. het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3°. het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4°. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR;.
7°. het schorsen van een ambtenaar op basis van artikel 91 van het ARAR;
8°. het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.
a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
b. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door de minister of een hoofd van dienst moeten worden vastgesteld;
c. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
d. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst: 1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
e. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voor zover niet vallend onder artikel 4, tweede lid, onderdeel a, of behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
f. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
g. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, behoren in ieder geval:
a. het vaststellen van de organisatie en formatie van de diensten, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
c. het vaststellen van interne circulaires;
d. de P&O-aangelegenheden van het Bureau Bestuursraad, de directie Algemene Economische Politiek en het Bureau Europa;
e. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden;
f. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
g. besluiten ten aanzien van ambtenaren voor wie salarisschaal 15 of hoger van bijlage B van het BBRA geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, inhoudende: 1°. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
2°. het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3°. het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4°. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR;.
7°. het schorsen van een ambtenaar op basis van artikel 91 van het ARAR;
8°. het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.
1°. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
2°. het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3°. het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4°. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR;.
7°. het schorsen van een ambtenaar op basis van artikel 91 van het ARAR;
8°. het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.