BWBR0026608
Geldig vanaf 2019-12-03
Artikel 2
Regeling vacatiegelden tuchtcolleges voor de gezondheidszorg 2009
1. Aan de leden van een tuchtcollege wordt vacatiegeld toegekend.
2. Het vacatiegeld bedraagt voor het bijwonen van een of meerdere terechtzittingen van het tuchtcollege per eindbeslissing voor:
a. een voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter: € 284,–;
b. een rechtsgeleerd lid of een plaatsvervangend rechtsgeleerd lid, niet zijnde een voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter: € 221,–;
c. een lid-beroepsgenoot of een plaatsvervangend lid-beroepsgenoot: € 221,–.
3. Indien een zaak na het horen van partijen ter terechtzitting is aangehouden en overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het Tuchtrechtbesluit BIG, de samenstelling van het tuchtcollege is gewijzigd, is het tweede lid van dit artikel onverminderd van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid die hebben deelgenomen aan die terechtzitting.
4. Voor bij de regionale tuchtcolleges aanhangig gemaakte zaken die niet naar een terechtzitting worden verwezen, bedraagt het vacatiegeld per door het college in raadkamer genomen eindbeslissing:
a. voor de voorzitter of diens plaatsvervanger: € 141,–;
b. voor de rechtsgeleerde leden of de plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, niet zijnde de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter: € 112,–;
c. voor de leden-beroepsgenoten of hun plaatsvervangers: € 112,–.
5. Indien het centrale tuchtcollege toepassing heeft gegeven aan artikel 74, eerste lid, van de wet, dan wel indien door de voorzitter of diens plaatsvervanger toepassing is gegeven aan artikel 67a, eerste lid van de wet, bedraagt het vacatiegeld voor de personen, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c, onderscheidenlijk voor de voorzitter of diens plaatsvervanger, € 62,–.
6. Voor de personen, bedoeld in het tweede lid, onder b, die zijn belast met het schrijven van de eindbeslissing na een terechtzitting of een behandeling in raadkamer, wordt het vacatiegeld verhoogd met € 62,–.
7. Indien een zaak in raadkamer is behandeld en overeenkomstig artikel 67a Wet BIGjo artikel 69 Wet BIGis doorverwezen naar zitting en de samenstelling van het tuchtcollege is gewijzigd, is het zesde lid van dit artikel onverminderd van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid die wel hebben deelgenomen aan de raadkamer, maar niet aan de terechtzitting’.
8. Indien een bij een tuchtcollege aanhangig gemaakte zaak vijf werkdagen of minder voorafgaand aan de terechtzitting wordt ingetrokken, wordt aan de personen als bedoeld in het eerste lid een vacatiegeld toegekend volgens de tarieven genoemd in onderscheidenlijk het vierde en elfde lid, tenzij de behandeling wordt voortgezet volgens artikel 65, tiende lid, van de wet. Bij voortzetting van de behandeling ter terechtzitting is het tweede lid van toepassing.
9. Aan personen als bedoeld in het eerste lid tegen wie vijf werkdagen of minder voorafgaand aan de terechtzitting een wrakingverzoek wordt ingediend, wordt een vacatiegeld toegekend volgens de tarieven genoemd in onderscheidenlijk het vijfde en tiende lid indien het wrakingverzoek wordt toegewezen.
10. Aan personen als bedoeld in het eerste lid tegen wie op of na de terechtzitting een wrakingverzoek wordt ingediend, wordt een vacatiegeld toegekend volgens de tarieven genoemd in het tweede lid indien het wrakingverzoek wordt toegewezen.
11. Het vacatiegeld, bedoeld in het achtste en negende lid, bedraagt voor:
a. de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter van het centrale tuchtcollege: € 141,–;
b. een rechtsgeleerd lid of een plaatsvervangend rechtsgeleerd lid van het centrale tuchtcollege, niet zijnde de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter: € 112,–;
c. een lid-beroepsgenoot of een plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van het centrale tuchtcollege: € 112,–.
12. Het vierde en elfde lid zijn voor de toekenning van vacatiegeld van overeenkomstige toepassing op de leden van een tuchtcollege dat een advies uitbrengt als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet.
2. Het vacatiegeld bedraagt voor het bijwonen van een of meerdere terechtzittingen van het tuchtcollege per eindbeslissing voor:
a. een voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter: € 284,–;
b. een rechtsgeleerd lid of een plaatsvervangend rechtsgeleerd lid, niet zijnde een voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter: € 221,–;
c. een lid-beroepsgenoot of een plaatsvervangend lid-beroepsgenoot: € 221,–.
3. Indien een zaak na het horen van partijen ter terechtzitting is aangehouden en overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het Tuchtrechtbesluit BIG, de samenstelling van het tuchtcollege is gewijzigd, is het tweede lid van dit artikel onverminderd van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid die hebben deelgenomen aan die terechtzitting.
4. Voor bij de regionale tuchtcolleges aanhangig gemaakte zaken die niet naar een terechtzitting worden verwezen, bedraagt het vacatiegeld per door het college in raadkamer genomen eindbeslissing:
a. voor de voorzitter of diens plaatsvervanger: € 141,–;
b. voor de rechtsgeleerde leden of de plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, niet zijnde de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter: € 112,–;
c. voor de leden-beroepsgenoten of hun plaatsvervangers: € 112,–.
5. Indien het centrale tuchtcollege toepassing heeft gegeven aan artikel 74, eerste lid, van de wet, dan wel indien door de voorzitter of diens plaatsvervanger toepassing is gegeven aan artikel 67a, eerste lid van de wet, bedraagt het vacatiegeld voor de personen, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c, onderscheidenlijk voor de voorzitter of diens plaatsvervanger, € 62,–.
6. Voor de personen, bedoeld in het tweede lid, onder b, die zijn belast met het schrijven van de eindbeslissing na een terechtzitting of een behandeling in raadkamer, wordt het vacatiegeld verhoogd met € 62,–.
7. Indien een zaak in raadkamer is behandeld en overeenkomstig artikel 67a Wet BIGjo artikel 69 Wet BIGis doorverwezen naar zitting en de samenstelling van het tuchtcollege is gewijzigd, is het zesde lid van dit artikel onverminderd van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid die wel hebben deelgenomen aan de raadkamer, maar niet aan de terechtzitting’.
8. Indien een bij een tuchtcollege aanhangig gemaakte zaak vijf werkdagen of minder voorafgaand aan de terechtzitting wordt ingetrokken, wordt aan de personen als bedoeld in het eerste lid een vacatiegeld toegekend volgens de tarieven genoemd in onderscheidenlijk het vierde en elfde lid, tenzij de behandeling wordt voortgezet volgens artikel 65, tiende lid, van de wet. Bij voortzetting van de behandeling ter terechtzitting is het tweede lid van toepassing.
9. Aan personen als bedoeld in het eerste lid tegen wie vijf werkdagen of minder voorafgaand aan de terechtzitting een wrakingverzoek wordt ingediend, wordt een vacatiegeld toegekend volgens de tarieven genoemd in onderscheidenlijk het vijfde en tiende lid indien het wrakingverzoek wordt toegewezen.
10. Aan personen als bedoeld in het eerste lid tegen wie op of na de terechtzitting een wrakingverzoek wordt ingediend, wordt een vacatiegeld toegekend volgens de tarieven genoemd in het tweede lid indien het wrakingverzoek wordt toegewezen.
11. Het vacatiegeld, bedoeld in het achtste en negende lid, bedraagt voor:
a. de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter van het centrale tuchtcollege: € 141,–;
b. een rechtsgeleerd lid of een plaatsvervangend rechtsgeleerd lid van het centrale tuchtcollege, niet zijnde de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter: € 112,–;
c. een lid-beroepsgenoot of een plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van het centrale tuchtcollege: € 112,–.
12. Het vierde en elfde lid zijn voor de toekenning van vacatiegeld van overeenkomstige toepassing op de leden van een tuchtcollege dat een advies uitbrengt als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet.