BWBR0026478
Geldig vanaf 2009-10-09
Artikel 2.4
Tijdelijke stimuleringsregeling Leven Lang Leren in het HBO 2009
1. In de begroting worden onderscheiden de organisatiekosten tot en met 31 december 2011 voor het:
a. ontwikkelen en vertalen van de strategische missie, visie en beleid van de hogeschool ten aanzien van een leven lang leren in concrete actieplannen op alle relevante niveaus en onderdelen binnen de organisatie;
b. ontwikkelen van producten en diensten op het gebied van een leven lang leren betreffende de doelgroep, voor zover die producten een directe relatie hebben met opleiding, diplomering en EVC, aantoonbaar aansluiten op de reële vraag en qua exploitatie levensvatbaar zijn;
c. vraag- en klantgericht werken, externe oriëntatie en het aangaan c.q. uitbouwen van partnerschappen met bedrijven en instellingen in het kader van een leven lang leren;
d. aanpassing van de inrichting van de organisatie (structuur, bedrijfsvoering, werkprocessen en cultuur);
e. bevorderen van de deskundigheid van medewerkers;
f. invulling leerfunctie en kennisdeling.
2. In de kosten worden onderscheiden:
a. loonkosten verbonden aan de inzet van het personeel van de subsidieaanvrager;
b. kosten voor gebruikmaking van de diensten van derden;
c. materiële kosten; en
d. kosten voor overhead.
a. ontwikkelen en vertalen van de strategische missie, visie en beleid van de hogeschool ten aanzien van een leven lang leren in concrete actieplannen op alle relevante niveaus en onderdelen binnen de organisatie;
b. ontwikkelen van producten en diensten op het gebied van een leven lang leren betreffende de doelgroep, voor zover die producten een directe relatie hebben met opleiding, diplomering en EVC, aantoonbaar aansluiten op de reële vraag en qua exploitatie levensvatbaar zijn;
c. vraag- en klantgericht werken, externe oriëntatie en het aangaan c.q. uitbouwen van partnerschappen met bedrijven en instellingen in het kader van een leven lang leren;
d. aanpassing van de inrichting van de organisatie (structuur, bedrijfsvoering, werkprocessen en cultuur);
e. bevorderen van de deskundigheid van medewerkers;
f. invulling leerfunctie en kennisdeling.
2. In de kosten worden onderscheiden:
a. loonkosten verbonden aan de inzet van het personeel van de subsidieaanvrager;
b. kosten voor gebruikmaking van de diensten van derden;
c. materiële kosten; en
d. kosten voor overhead.