1. De binnen het aanvraagtijdvak, zoals bedoeld in artikel 5, ontvangen volledige subsidieaanvragen worden inhoudelijk beoordeeld op basis van de in het derde lid omschreven criteria. Projecten die in hogere mate voldoen aan bedoelde criteria hebben – in afwijking van
artikel 5, vierde lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies– voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria voldoen.
2. Van een volledige subsidieaanvraag, als bedoeld in het eerste lid, is sprake indien wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in artikel 8.
3. De aanvragen worden beoordeeld op:
– De mate waarin het project één (of meer) van de Nederlandse doelstellingen van het Europees jaar van de bestrijding van de armoede en sociale uitsluiting, zoals genoemd in artikel 3, ondersteunt. Daarbij wordt beoordeeld hoe deze doelstelling wordt ondersteund, welke (sub) doelgroep bereikt zal worden en hoe de activiteiten uit het project deze (sub) doelgroep zullen helpen.
– De mate waarin het project het inzichtelijk maken van maatschappelijke en individuele problemen, die ontstaan door armoede en sociale uitsluiting, ondersteunt en de mate waarin het project tot doel heeft het formuleren van aanbevelingen om deze problemen te verminderen.
– De mate waarin de doelgroep (of een specifieke subgroep) van het armoede- en participatiebeleid bij de voorbereiding van de activiteiten wordt betrokken.
4. Indien volledige inwilliging van een subsidieaanvraag zou leiden tot overschrijding van het toepasselijke subsidieplafond, doch uitvoering van het project mogelijk lijkt op basis van een lager te verlenen subsidiebedrag, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de aanvraag zodanig aan te passen, dat deze een subsidiebedrag betreft waarbij het subsidieplafond niet wordt overschreden.