BWBR0026436
Geldig vanaf 2010-01-01
Artikel 3
Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010
1. Instellingen leggen de hoofdlijnen van de op het beleggen en belenen betrekking hebbende administratieve organisatie en interne controle vast, waaronder in ieder geval wordt begrepen de verdeling van taken en bevoegdheden, de voor de instelling toegestane beleggings- en beleningsvormen, de bijbehorende informatievoorziening minimaal bestaande uit een kasstroomprognose, de verantwoordingsinformatie en de wijze waarop onderscheid wordt aangebracht tussen publieke middelen en overige middelen die niet op een adequate wijze afgescheiden zijn van de publieke middelen enerzijds en andere middelen anderzijds.
2. Instellingen beleggen en belenen hun niet voor lopende betalingen benodigde publieke en overige middelen:
a. in de vorm van waardepapieren waarvoor een solvabiliteitsratio van 0 procent geldt;
b. al dan niet tegen waardepapieren bij financiële ondernemingen in lidstaten in vormen waarvan de hoofdsom bij opname intact is;
c. bij financiële ondernemingen in lidstaten in de vorm van derivaten.
3. De ratingeisen voor de beleggings- en beleningsvormen waarbij de hoofdsom bij opname intact is zijn als volgt afhankelijk van de looptijd van die vormen:
a. beleggings- en beleningsvormen voor een periode tot en met drie maanden mogen worden betrokken van financiële ondernemingen die aantonen dat ze voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren beschikken over minstens een A-rating, afgegeven door minstens twee ratingbureaus.
b. beleggings- en beleningsvormen voor een periode van meer dan drie maanden mogen worden betrokken van financiële ondernemingen die aantonen dat ze voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren beschikken over minstens een AA-minusrating afgegeven door minstens twee ratingbureaus.
4. Op derivatenzijn de in het derde lid, onder b, bedoelde ratingeisen van toepassing, tenzij de derivaten zijn afgesloten op een gereglementeerde markt in de Europese Economische Ruimte, bedoeld in Richtlijn 93/22/EEGvan de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten bij een in deze Richtlijn bedoelde financiële onderneming. Een wijziging van deze Richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
5. Het tweede, derde en vierde lid hebben betrekking op beleggingen en beleningen die na de datum van inwerkingtreden nieuw worden verworven, respectievelijk gesloten.
2. Instellingen beleggen en belenen hun niet voor lopende betalingen benodigde publieke en overige middelen:
a. in de vorm van waardepapieren waarvoor een solvabiliteitsratio van 0 procent geldt;
b. al dan niet tegen waardepapieren bij financiële ondernemingen in lidstaten in vormen waarvan de hoofdsom bij opname intact is;
c. bij financiële ondernemingen in lidstaten in de vorm van derivaten.
3. De ratingeisen voor de beleggings- en beleningsvormen waarbij de hoofdsom bij opname intact is zijn als volgt afhankelijk van de looptijd van die vormen:
a. beleggings- en beleningsvormen voor een periode tot en met drie maanden mogen worden betrokken van financiële ondernemingen die aantonen dat ze voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren beschikken over minstens een A-rating, afgegeven door minstens twee ratingbureaus.
b. beleggings- en beleningsvormen voor een periode van meer dan drie maanden mogen worden betrokken van financiële ondernemingen die aantonen dat ze voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren beschikken over minstens een AA-minusrating afgegeven door minstens twee ratingbureaus.
4. Op derivatenzijn de in het derde lid, onder b, bedoelde ratingeisen van toepassing, tenzij de derivaten zijn afgesloten op een gereglementeerde markt in de Europese Economische Ruimte, bedoeld in Richtlijn 93/22/EEGvan de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten bij een in deze Richtlijn bedoelde financiële onderneming. Een wijziging van deze Richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
5. Het tweede, derde en vierde lid hebben betrekking op beleggingen en beleningen die na de datum van inwerkingtreden nieuw worden verworven, respectievelijk gesloten.