BWBR0026313
Geldig vanaf 2013-10-14
Artikel 13
Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)
1. Voor subsidiering komen uitsluitend in aanmerking:
a. de noodzakelijke kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en zijn betaald uiterlijk binnen zes weken na het indienen van de eindverantwoording doch uiterlijk op 31 december 2015 en die rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project zijn toe te rekenen. Dit onderdeel is niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie C, voor zover het exploitatiekosten betreft, die zijn gerelateerd aan de uitvoering van subsidiabele projectactiviteiten,
b. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de subsidiabele projectactiviteiten per actie, zoals opgenomen in Bijlage 1. Dit onderdeel is niet van toepassing op Actie E. Tevens is dit onderdeel niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie C, voor zover het aan overhead gerelateerde exploitatiekosten betreft,
c. loonkostensubsidies en stagevergoedingen voor zover verstrekt binnen Actie J.
2. kosten voor intern personeel voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% en het aantal werkbare uren per jaar.
3. Kosten voor opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) ter hoogte van de vastgestelde standaardprijs á € 3.700,– per opleiding, per schooljaar, mits de volgende bewijsstukken kunnen worden overgelegd:
– de toepasselijke beroepspraktijkvormingsovereenkomst,
– loonstrook deelnemer van de laatste scholingsmaand in het ESF project, of een door het pensioenfonds verstrekt overzicht, waaruit het dienstverband van de deelnemer bij het leerbedrijf in de laatste scholingsmaand in het ESF-project blijkt,
– behaald diploma of bewijsstuk van de instelling waaruit blijkt dat de leerling gedurende een schooljaar de betreffende opleiding heeft genoten.
4. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient voor opdrachten met een financieel belang van hoger of gelijk aan € 15.000,– de marktconformiteit aangetoond te worden. Voor opdrachten tot € 50.000,– kan worden volstaan met een benchmarkprocedure. Voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000,– dient marktconformiteit te worden aangetoond door middel van een vergelijking van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een openbare aanbestedingsprocedure.
5. Met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor subsidieaanvragen die zijn ingediend voor 1 oktober 2010, artikel 13 van de subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien), zoals dit luidde op 30 september 2010.
a. de noodzakelijke kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en zijn betaald uiterlijk binnen zes weken na het indienen van de eindverantwoording doch uiterlijk op 31 december 2015 en die rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project zijn toe te rekenen. Dit onderdeel is niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie C, voor zover het exploitatiekosten betreft, die zijn gerelateerd aan de uitvoering van subsidiabele projectactiviteiten,
b. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de subsidiabele projectactiviteiten per actie, zoals opgenomen in Bijlage 1. Dit onderdeel is niet van toepassing op Actie E. Tevens is dit onderdeel niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie C, voor zover het aan overhead gerelateerde exploitatiekosten betreft,
c. loonkostensubsidies en stagevergoedingen voor zover verstrekt binnen Actie J.
2. kosten voor intern personeel voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% en het aantal werkbare uren per jaar.
3. Kosten voor opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) ter hoogte van de vastgestelde standaardprijs á € 3.700,– per opleiding, per schooljaar, mits de volgende bewijsstukken kunnen worden overgelegd:
– de toepasselijke beroepspraktijkvormingsovereenkomst,
– loonstrook deelnemer van de laatste scholingsmaand in het ESF project, of een door het pensioenfonds verstrekt overzicht, waaruit het dienstverband van de deelnemer bij het leerbedrijf in de laatste scholingsmaand in het ESF-project blijkt,
– behaald diploma of bewijsstuk van de instelling waaruit blijkt dat de leerling gedurende een schooljaar de betreffende opleiding heeft genoten.
4. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient voor opdrachten met een financieel belang van hoger of gelijk aan € 15.000,– de marktconformiteit aangetoond te worden. Voor opdrachten tot € 50.000,– kan worden volstaan met een benchmarkprocedure. Voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000,– dient marktconformiteit te worden aangetoond door middel van een vergelijking van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een openbare aanbestedingsprocedure.
5. Met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor subsidieaanvragen die zijn ingediend voor 1 oktober 2010, artikel 13 van de subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien), zoals dit luidde op 30 september 2010.