BWBR0026265
Geldig vanaf 22-08-2009
Artikel 2
Beleidsregels voorschot bij inkomstenverrekening langdurig werklozen
1. De langdurig werkloze, die recht heeft op een uitkering op grond van de WW en die op grond van artikel 20, zesde lid, van de WW, in aanmerking komt voor inkomstenverrekening, ontvangt vanaf het moment waarop hij daarvoor in aanmerking komt voorschotten.
Bij de vaststelling van de hoogte van het voorschot per kalenderweek wordt rekening gehouden met de in die week te verwachten gemiddelde inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, Inkomstenbesluit Werkloosheidswet.
2. Het UWV zal na afloop van elke voorschotperiode van 52 kalenderweken de definitieve hoogte van de uitkering over die periode vaststellen.
3. Indien het recht op uitkering of de dienstbetrekking die ten grondslag lag aan de toepassing van de regeling tot inkomstenverrekening vóór het verstrijken van 52 kalenderweken eindigt, stelt het UWV in afwijking van het tweede lid de definitieve hoogte van de uitkering over de alsdan verstreken periode vast.
Bij de vaststelling van de hoogte van het voorschot per kalenderweek wordt rekening gehouden met de in die week te verwachten gemiddelde inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, Inkomstenbesluit Werkloosheidswet.
2. Het UWV zal na afloop van elke voorschotperiode van 52 kalenderweken de definitieve hoogte van de uitkering over die periode vaststellen.
3. Indien het recht op uitkering of de dienstbetrekking die ten grondslag lag aan de toepassing van de regeling tot inkomstenverrekening vóór het verstrijken van 52 kalenderweken eindigt, stelt het UWV in afwijking van het tweede lid de definitieve hoogte van de uitkering over de alsdan verstreken periode vast.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0026265
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl