BWBR0026155
Geldig vanaf 2009-07-24
Artikel 2
Instellingsbesluit Commissie Regieorgaan Geesteswetenschappen
1. Er is een Commissie Regieorgaan Geesteswetenschappen.
2. De commissie heeft tot taak:
a. de minister te adviseren over de besteding van een bedrag van ten hoogste € 2 miljoen in 2009 ten behoeve van de uitvoering van het Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen zoals opgesteld door de gelijknamige commissie (Stcrt 2007, 204),
b. Ter uitvoering van het plan, genoemd in onderdeel a, de minister te adviseren over de besteding van een bedrag van respectievelijk: 1° ten hoogste € 10 miljoen in 2010;
2° structureel ten hoogste € 15 miljoen per jaar in de periode van 2011 tot en met 2015; en
3° € 1,4 miljoen in 2014, € 1,3 miljoen in 2015 en € 1,3 miljoen in 2016, specifiek ten behoeve van een plan van aanpak gericht op vermindering van het tekort aan leraren in de schoolvakken Nederlands, Engels, Frans, Duits en Klassieke Talen.
1° ten hoogste € 10 miljoen in 2010;
2° structureel ten hoogste € 15 miljoen per jaar in de periode van 2011 tot en met 2015; en
3° € 1,4 miljoen in 2014, € 1,3 miljoen in 2015 en € 1,3 miljoen in 2016, specifiek ten behoeve van een plan van aanpak gericht op vermindering van het tekort aan leraren in de schoolvakken Nederlands, Engels, Frans, Duits en Klassieke Talen.
c. de minister te adviseren over jaarlijkse monitoring en een eindevaluatie, van de door de minister op basis van de adviezen, bedoeld onder a en b, gefinancierde activiteiten,
d. het, na de instemming van de minister met het advies, bedoeld onder c, uitvoering geven aan de monitoring en eindevaluatie van de gefinancierde activiteiten.
3. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, beoordeelt de commissie voorstellen van de faculteiten geesteswetenschappen van de universiteiten als genoemd in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekop basis van de daartoe door de Commissie Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen in haar rapport geformuleerde criteria.
4. In de bedragen die zijn genoemd in het tweede lid van dit artikel, onder b is een oploop van de middelen verwerkt van € 5 miljoen in 2010 en van € 10 miljoen vanaf 2011. Deze oplopen zijn indicatief op de aanvullende post bij het Rijk gereserveerd. Jaarlijks wordt bij Voorjaarsnota besloten over het per tranche beschikbaar stellen van deze oploop. De commissie zal hiervan door de minister zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld.
5. De eindevaluatie, bedoeld in het tweede lid onder d, vindt niet later plaats dan in 2015 voor wat betreft de activiteiten gefinancierd met de middelen, bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b, 1° en 2°, en niet later dan in 2016 voor wat betreft het plan van aanpak, gefinancierd met de middelen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b, 3°.
2. De commissie heeft tot taak:
a. de minister te adviseren over de besteding van een bedrag van ten hoogste € 2 miljoen in 2009 ten behoeve van de uitvoering van het Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen zoals opgesteld door de gelijknamige commissie (Stcrt 2007, 204),
b. Ter uitvoering van het plan, genoemd in onderdeel a, de minister te adviseren over de besteding van een bedrag van respectievelijk: 1° ten hoogste € 10 miljoen in 2010;
2° structureel ten hoogste € 15 miljoen per jaar in de periode van 2011 tot en met 2015; en
3° € 1,4 miljoen in 2014, € 1,3 miljoen in 2015 en € 1,3 miljoen in 2016, specifiek ten behoeve van een plan van aanpak gericht op vermindering van het tekort aan leraren in de schoolvakken Nederlands, Engels, Frans, Duits en Klassieke Talen.
1° ten hoogste € 10 miljoen in 2010;
2° structureel ten hoogste € 15 miljoen per jaar in de periode van 2011 tot en met 2015; en
3° € 1,4 miljoen in 2014, € 1,3 miljoen in 2015 en € 1,3 miljoen in 2016, specifiek ten behoeve van een plan van aanpak gericht op vermindering van het tekort aan leraren in de schoolvakken Nederlands, Engels, Frans, Duits en Klassieke Talen.
c. de minister te adviseren over jaarlijkse monitoring en een eindevaluatie, van de door de minister op basis van de adviezen, bedoeld onder a en b, gefinancierde activiteiten,
d. het, na de instemming van de minister met het advies, bedoeld onder c, uitvoering geven aan de monitoring en eindevaluatie van de gefinancierde activiteiten.
3. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, beoordeelt de commissie voorstellen van de faculteiten geesteswetenschappen van de universiteiten als genoemd in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekop basis van de daartoe door de Commissie Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen in haar rapport geformuleerde criteria.
4. In de bedragen die zijn genoemd in het tweede lid van dit artikel, onder b is een oploop van de middelen verwerkt van € 5 miljoen in 2010 en van € 10 miljoen vanaf 2011. Deze oplopen zijn indicatief op de aanvullende post bij het Rijk gereserveerd. Jaarlijks wordt bij Voorjaarsnota besloten over het per tranche beschikbaar stellen van deze oploop. De commissie zal hiervan door de minister zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld.
5. De eindevaluatie, bedoeld in het tweede lid onder d, vindt niet later plaats dan in 2015 voor wat betreft de activiteiten gefinancierd met de middelen, bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b, 1° en 2°, en niet later dan in 2016 voor wat betreft het plan van aanpak, gefinancierd met de middelen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b, 3°.