BWBR0026038
Geldig vanaf 2009-07-01
Artikel 3
Inkomstenbesluit Werkloosheidswet
1. Gedurende de periode dat de werknemer recht heeft op:
a. een uitkering op grond van een werknemersverzekering, met uitzondering van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, anders dan bedoeld onder b en c;
b. een uitkering in verband met vorstwerkloosheid als bedoeld in artikel 18 van de Werkloosheidswet of werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend;
c. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet,
of met verlof is, worden tevens als inkomsten uit arbeid beschouwd de inkomsten uit arbeid die werden genoten in het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin:
1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld onder a, b of c;
2°. het verlof aanving.
2. Niet als inkomsten uit arbeid wordt beschouwd het loon dat door de werknemer wordt genoten indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomsten als bedoeld in het eerste lid geniet.
3. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid niet tot uitbetaling komt omdat deze niet is aangevraagd, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen als ware deze genoten.
a. een uitkering op grond van een werknemersverzekering, met uitzondering van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, anders dan bedoeld onder b en c;
b. een uitkering in verband met vorstwerkloosheid als bedoeld in artikel 18 van de Werkloosheidswet of werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend;
c. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet,
of met verlof is, worden tevens als inkomsten uit arbeid beschouwd de inkomsten uit arbeid die werden genoten in het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin:
1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld onder a, b of c;
2°. het verlof aanving.
2. Niet als inkomsten uit arbeid wordt beschouwd het loon dat door de werknemer wordt genoten indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomsten als bedoeld in het eerste lid geniet.
3. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid niet tot uitbetaling komt omdat deze niet is aangevraagd, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen als ware deze genoten.