BWBR0025935
Geldig vanaf 13-06-2009
Artikel 11
Regeling voorwaarden deelname intredetoets en examen keurmeester lichte en zware (bedrijfs)voertuigen respectievelijk zware aanhangwagens
1. De in artikel 10, onder g genoemde verklaring wordt slechts afgegeven indien de aanvrager blijk heeft gegeven van voldoende theoretische en praktische kennis.
2. Degene die een verklaring aanvraagt geeft blijk van de in het eerste lid bedoelde theoretische kennis door het overleggen van één van de navolgende diploma’s:
a. diploma middelbaar bedrijfstechnicus voor de motorvoertuigenbranche, afgegeven door de Stichting Beroepsopleidingen VAM, of
b. diploma A of B van het Instituut voor de Autohandel B.V., of
c. diploma HTS werktuigbouwkunde, of
d. diploma MTS werktuigbouwkunde, of
e. diploma keurmeester lichte voertuigen of het diploma keurmeester zware (bedrijfs)voertuigen of de daarbij behorende bevoegdheidspas die door het verstrijken van de tijd hun geldigheid hebben verloren, of
f. een buitenlands diploma dat tenminste gelijkwaardig is aan één van de in dit artikel onder a tot en met e, of g tot en met i genoemde diploma’s, of
g. diploma HTS autotechniek, of
h. diploma MTS autotechniek, of
i. diploma commercieel bedrijfsleider / ondernemer kleinbedrijf (niveau 4), met differentiatie Personenautotechniek of Bedrijfsautotechniek.
3. Indien een diploma, wordt overgelegd zoals genoemd in artikel 11, tweede lid , onder a tot en met f, wordt tevens een werkgeversverklaring of getuigschrift overgelegd waaruit blijkt dat in de periode van 6 jaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de aanvraag, gedurende ten minste 4 jaar ervaring is opgedaan in het onderhouden en repareren van de voertuigen waarvoor het examen wordt aangevraagd.
4. Indien een diploma wordt overgelegd zoals genoemd in artikel 11, tweede lid, onder g tot en met i, wordt tevens een werkgeversverklaring of getuigschrift overgelegd waaruit blijkt dat in de periode van 6 jaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de aanvraag, gedurende ten minste 2 jaar ervaring is opgedaan in het onderhouden en repareren van voertuigen waarvoor het examen wordt aangevraagd.
2. Degene die een verklaring aanvraagt geeft blijk van de in het eerste lid bedoelde theoretische kennis door het overleggen van één van de navolgende diploma’s:
a. diploma middelbaar bedrijfstechnicus voor de motorvoertuigenbranche, afgegeven door de Stichting Beroepsopleidingen VAM, of
b. diploma A of B van het Instituut voor de Autohandel B.V., of
c. diploma HTS werktuigbouwkunde, of
d. diploma MTS werktuigbouwkunde, of
e. diploma keurmeester lichte voertuigen of het diploma keurmeester zware (bedrijfs)voertuigen of de daarbij behorende bevoegdheidspas die door het verstrijken van de tijd hun geldigheid hebben verloren, of
f. een buitenlands diploma dat tenminste gelijkwaardig is aan één van de in dit artikel onder a tot en met e, of g tot en met i genoemde diploma’s, of
g. diploma HTS autotechniek, of
h. diploma MTS autotechniek, of
i. diploma commercieel bedrijfsleider / ondernemer kleinbedrijf (niveau 4), met differentiatie Personenautotechniek of Bedrijfsautotechniek.
3. Indien een diploma, wordt overgelegd zoals genoemd in artikel 11, tweede lid , onder a tot en met f, wordt tevens een werkgeversverklaring of getuigschrift overgelegd waaruit blijkt dat in de periode van 6 jaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de aanvraag, gedurende ten minste 4 jaar ervaring is opgedaan in het onderhouden en repareren van de voertuigen waarvoor het examen wordt aangevraagd.
4. Indien een diploma wordt overgelegd zoals genoemd in artikel 11, tweede lid, onder g tot en met i, wordt tevens een werkgeversverklaring of getuigschrift overgelegd waaruit blijkt dat in de periode van 6 jaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de aanvraag, gedurende ten minste 2 jaar ervaring is opgedaan in het onderhouden en repareren van voertuigen waarvoor het examen wordt aangevraagd.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0025935
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl