BWBR0025915
Geldig vanaf 2009-06-07
Artikel 11
Subsidieregeling 2getthere
De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor zover:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. subsidieverstrekking niet is toegestaan onder toepassing van de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun of de algemene groepsvrijstellingsverordening;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;
d. onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen 36 maanden na de subsidieverlening kunnen worden voltooid;
e. aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zouden worden uitgevoerd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de activiteiten;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat in de politieke haalbaarheid van de activiteiten in het doelland;
h. de activiteiten onvoldoende bijdrage aan de doelstellingen van de subsidie leveren;
i. onvoldoende vertrouwen bestaat dat betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;
j. er onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
k. indien de activiteiten in strijd zijn met de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde richtlijnen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en Rechten op het Werk.
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. subsidieverstrekking niet is toegestaan onder toepassing van de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun of de algemene groepsvrijstellingsverordening;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;
d. onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen 36 maanden na de subsidieverlening kunnen worden voltooid;
e. aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zouden worden uitgevoerd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de activiteiten;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat in de politieke haalbaarheid van de activiteiten in het doelland;
h. de activiteiten onvoldoende bijdrage aan de doelstellingen van de subsidie leveren;
i. onvoldoende vertrouwen bestaat dat betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;
j. er onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
k. indien de activiteiten in strijd zijn met de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde richtlijnen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en Rechten op het Werk.