BWBR0025866
Geldig vanaf 2009-06-01
Artikel 4
Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009
1. Bij de aanvraag voor het afleggen van het examen rijinstructeur overlegt de aanvrager een bewijsstuk aan het instituut waaruit blijkt dat deze met goed gevolg:
a. een opleiding heeft gevolgd op het niveau van ten minste voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de theoretische of gemengde leerweg, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel d, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of op een gelijkwaardig niveau, of
b. de geschiktheidstest, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet, heeft afgelegd.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van de aanvrager die reeds beschikt over een geldig certificaat voor het geven van rijonderricht.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de inrichting en de inhoud van de geschiktheidstest, en
b. de beoordeling van de competenties van de betrokkene en de wijze waarop die beoordeling plaatsvindt.
a. een opleiding heeft gevolgd op het niveau van ten minste voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de theoretische of gemengde leerweg, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel d, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of op een gelijkwaardig niveau, of
b. de geschiktheidstest, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet, heeft afgelegd.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van de aanvrager die reeds beschikt over een geldig certificaat voor het geven van rijonderricht.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de inrichting en de inhoud van de geschiktheidstest, en
b. de beoordeling van de competenties van de betrokkene en de wijze waarop die beoordeling plaatsvindt.