BWBR0025770
Geldig vanaf 2008-12-05
Artikel 10
Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen
Aan boord van een zeeschip dat beladen is met:
a. stoffen van klasse 1, als bedoeld in de IMDG-Code;
b. stoffen van klasse 5.2, als bedoeld in de IMDG-Code, waarvan de verpakking overeenkomstig die code moet zijn voorzien van een gevaarsetiket ‘ontplofbaar’; of
c. andere dan de onder a en b genoemde stoffen als bedoeld in de IMDG-Code, voor zover deze bruto gezamenlijk meer wegen dan 1000 kilogram;
wordt er voor zorggedragen dat:
1. voldoende geëigende blusmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed worden gehouden;
2. voorkomen wordt dat vonken een schoorsteen kunnen verlaten;
3. warmtebronnen waarin open vuur aanwezig is onder voortdurende en directe bewaking staan;
4. werkzaamheden waarvan brandgevaar is te vrezen niet dan met toestemming van de bevoegde plaatselijke autoriteit worden verricht;
5. steeds voldoende bekwaam personeel, materieel en eigen voortstuwingsvermogen beschikbaar is om het schip onmiddellijk te kunnen doen verhalen, behoudens wanneer met toestemming van de bevoegde plaatselijke autoriteit reparatiewerkzaamheden aan de motor worden uitgevoerd;
6. geen werkzaamheden worden verricht door personen die verkeren onder zodanige invloed van een stof, waarvan bekend is dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, de vaardigheid tot het verrichten van die werkzaamheden nadelig kan beïnvloeden;
7. indien ligplaats is genomen het schip te allen tijde snel en veilig kan worden betreden en verlaten;
8. er alleen in speciaal daartoe aangewezen, gesloten ruimten wordt gerookt.
a. stoffen van klasse 1, als bedoeld in de IMDG-Code;
b. stoffen van klasse 5.2, als bedoeld in de IMDG-Code, waarvan de verpakking overeenkomstig die code moet zijn voorzien van een gevaarsetiket ‘ontplofbaar’; of
c. andere dan de onder a en b genoemde stoffen als bedoeld in de IMDG-Code, voor zover deze bruto gezamenlijk meer wegen dan 1000 kilogram;
wordt er voor zorggedragen dat:
1. voldoende geëigende blusmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed worden gehouden;
2. voorkomen wordt dat vonken een schoorsteen kunnen verlaten;
3. warmtebronnen waarin open vuur aanwezig is onder voortdurende en directe bewaking staan;
4. werkzaamheden waarvan brandgevaar is te vrezen niet dan met toestemming van de bevoegde plaatselijke autoriteit worden verricht;
5. steeds voldoende bekwaam personeel, materieel en eigen voortstuwingsvermogen beschikbaar is om het schip onmiddellijk te kunnen doen verhalen, behoudens wanneer met toestemming van de bevoegde plaatselijke autoriteit reparatiewerkzaamheden aan de motor worden uitgevoerd;
6. geen werkzaamheden worden verricht door personen die verkeren onder zodanige invloed van een stof, waarvan bekend is dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, de vaardigheid tot het verrichten van die werkzaamheden nadelig kan beïnvloeden;
7. indien ligplaats is genomen het schip te allen tijde snel en veilig kan worden betreden en verlaten;
8. er alleen in speciaal daartoe aangewezen, gesloten ruimten wordt gerookt.