BWBR0025539
Geldig vanaf 2009-04-01
Artikel 4
Instellingsbesluit Commissie van Wijzen Kennis en Innovatie
1. De commissie bestaat uit een voorzitter, een vice-voorzitter en andere leden. De leden zijn deskundig op het kennisgebied waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren werkzaam bij een ministerie.
2. De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de minister, in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
3. De benoeming geschiedt voor een termijn van ten hoogste 5 jaar. De leden van de commissie zijn te allen tijde herbenoembaar.
4. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep.
5. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.
6. De commissie bepaalt haar eigen werkwijze.
7. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitvoering van zijn taak benodigde inlichtingen.
9. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.
2. De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de minister, in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
3. De benoeming geschiedt voor een termijn van ten hoogste 5 jaar. De leden van de commissie zijn te allen tijde herbenoembaar.
4. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep.
5. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.
6. De commissie bepaalt haar eigen werkwijze.
7. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitvoering van zijn taak benodigde inlichtingen.
9. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.