BWBR0025364
Geldig vanaf 2022-02-09
Artikel 4
Wet College voor toetsen en examens
1. Het college heeft ten minste zes leden en ten hoogste acht leden, onder wie een voorzitter.
2. Voor ieder lid van het college, de voorzitter uitgezonderd, zal Onze Minister één plaatsvervangend lid benoemen. Op de plaatsvervangende leden zijn de <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 9</a>, <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">12</a>, <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">13</a>en <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</a>van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister draagt bij de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van het college zorg voor de onafhankelijkheid en deskundigheid van deze leden en voor voldoende draagvlak bij de representatieve onderwijsorganisaties voor hun benoeming.
4. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. De leden en de plaatsvervangende leden kunnen éénmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar.
2. Voor ieder lid van het college, de voorzitter uitgezonderd, zal Onze Minister één plaatsvervangend lid benoemen. Op de plaatsvervangende leden zijn de <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 9</a>, <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">12</a>, <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">13</a>en <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</a>van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister draagt bij de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van het college zorg voor de onafhankelijkheid en deskundigheid van deze leden en voor voldoende draagvlak bij de representatieve onderwijsorganisaties voor hun benoeming.
4. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. De leden en de plaatsvervangende leden kunnen éénmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar.