BWBR0025062
Geldig vanaf 2009-01-01
Artikel 8
Bezoldigingsregeling Commissariaat voor de Media en Stimuleringsfonds voor de pers
1. Als een lid van het Commissariaat na afloop van de benoemingstermijn niet wordt herbenoemd, heeft hij aanspraak op een uitkering overeenkomstig de volgende leden.
2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend voor een periode die gelijk is aan het tijdvak waarin betrokkene zonder onderbreking lid van het Commissariaat was, met dien verstande dat de uitkering in ieder geval eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of met ingang van de dag volgende op de dag van overlijden.
3. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend als betrokkene op eigen verzoek niet als lid van het Commissariaat wordt herbenoemd of herbenoeming weigert, of als betrokkene na afloop van de benoemingsperiode de leeftijd van 65 jaar heeft gepasseerd.
4. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 80 procent en vervolgens 70 procent van de laatstelijk als lid van het Commissariaat genoten bruto bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
5. Als in de bezoldiging van het rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in het vierde lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig aangepast.
6. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die niet reeds werden genoten tijdens de uitoefening van de functie, worden met de uitkering verrekend. De verrekening vindt alleen plaats ten aanzien van bedragen die 30 procent van de laatstgenoten bruto bezoldiging en vakantie-uitkering overschrijden.
2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend voor een periode die gelijk is aan het tijdvak waarin betrokkene zonder onderbreking lid van het Commissariaat was, met dien verstande dat de uitkering in ieder geval eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of met ingang van de dag volgende op de dag van overlijden.
3. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend als betrokkene op eigen verzoek niet als lid van het Commissariaat wordt herbenoemd of herbenoeming weigert, of als betrokkene na afloop van de benoemingsperiode de leeftijd van 65 jaar heeft gepasseerd.
4. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 80 procent en vervolgens 70 procent van de laatstelijk als lid van het Commissariaat genoten bruto bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
5. Als in de bezoldiging van het rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in het vierde lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig aangepast.
6. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die niet reeds werden genoten tijdens de uitoefening van de functie, worden met de uitkering verrekend. De verrekening vindt alleen plaats ten aanzien van bedragen die 30 procent van de laatstgenoten bruto bezoldiging en vakantie-uitkering overschrijden.