BWBR0024883
Geldig vanaf 2008-12-31
Artikel VI
Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen)
1. Voor het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid, bedoeld in artikel 3.94 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 3.92b, eerste lid, van die wetwelke ten gevolge van de inwerkingtreding van genoemd artikelper 1 januari 2009 is gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, op dat tijdstip te boek gesteld volgens de regeling van artikel 3.95b, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2. Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel heeft verkregen van een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, in afwijking van het eerste lid, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat die persoon op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval die persoon op dat tijdstip het vermogensbestanddeel nog zou houden.
3. Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel heeft verkregen van een lichaam waarin hij of een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, in afwijking van het eerste lid, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat dat lichaam heeft opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel. Ingeval het lichaam het vermogensbestanddeel eerder had verworven van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de eerste volzin, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat hij op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval hij het vermogensbestanddeel tot dat tijdstip ononderbroken zou hebben gehouden. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval het lichaam het vermogensbestanddeel eerder had verworven van een met de belastingplichtige verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4. Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 middellijk houdt, terwijl hij dat vermogensbestanddeel op enig tijdstip daarvoor onmiddellijk heeft gehouden, wordt, in afwijking van het eerste lid, dat vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat hij op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval hij op dat tijdstip het vermogensbestanddeel nog onmiddellijk zou houden.
5. Indien een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel op 31 december 2008 behoort tot een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, maar dit vermogensbestanddeel ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001per 1 januari 2009 is gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, vindt artikel 4.16, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001ter zake daarvan geen toepassing.
2. Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel heeft verkregen van een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, in afwijking van het eerste lid, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat die persoon op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval die persoon op dat tijdstip het vermogensbestanddeel nog zou houden.
3. Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel heeft verkregen van een lichaam waarin hij of een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, in afwijking van het eerste lid, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat dat lichaam heeft opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel. Ingeval het lichaam het vermogensbestanddeel eerder had verworven van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de eerste volzin, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat hij op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval hij het vermogensbestanddeel tot dat tijdstip ononderbroken zou hebben gehouden. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval het lichaam het vermogensbestanddeel eerder had verworven van een met de belastingplichtige verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4. Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 middellijk houdt, terwijl hij dat vermogensbestanddeel op enig tijdstip daarvoor onmiddellijk heeft gehouden, wordt, in afwijking van het eerste lid, dat vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat hij op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval hij op dat tijdstip het vermogensbestanddeel nog onmiddellijk zou houden.
5. Indien een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel op 31 december 2008 behoort tot een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, maar dit vermogensbestanddeel ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001per 1 januari 2009 is gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, vindt artikel 4.16, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001ter zake daarvan geen toepassing.