BWBR0024665
Geldig vanaf 2008-11-07
Artikel 8
Tijdelijke subsidieregeling opkomende markten
1. De Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. door een of meer bestuursorganen of de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kalenderjaar van de aanvraag en twee aan dit kalenderjaar voorafgaande kalenderjaren aan de aanvrager reeds tot een gelijk of hoger bedrag subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan voor de sector waartoe de betrokken aanvrager behoort, is vastgesteld in de de-minimisverordening;
c. de aanvraag betrekking heeft op het verstrekken van subsidie aan een ondernemer waarvan de continuïteit voor de korte of middellange termijn in het geding is;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen het investeringsproject kunnen financieren;
e. het investeringsproject volledig commercieel financierbaar is;
f. de ondernemer in de opkomende markt of de aanvrager niet handelt volgens de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde richtlijnen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en Rechten op het Werk;
g. de vaste formatie van de groep waartoe de aanvrager behoort kleiner is dan drie fulltime-equivalents;
h. de subsidie minder zou bedragen dan € 100.000;
i. het investeringsproject bestaat uit activiteiten die in Nederland of in de opkomende markt verboden zijn;
j. het investeringsproject per saldo leidt tot het verplaatsen van arbeidsplaatsen van Nederland naar een opkomende markt;
k. het investeringsproject niet voldoet aan de milieuwetgeving van de opkomende markt of in het kader van het investeringsproject geen gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare en gangbare technieken om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, of indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken;
l. de weigeringgronden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, van toepassing zijn;
m. Verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector (PbEU L 193) of Verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) van toepassing is.
2. De Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag indien:
a. het investeringsproject niet past binnen de bedrijfsstrategie van de aanvrager;
b. het investeringsproject onvoldoende verband houdt met de huidige bedrijfsactiviteiten van de aanvrager;
c. het deelproject geen betrekking heeft op nieuwe activiteiten van de aanvrager in de opkomende markt;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van het investeringsproject;
e. het investeringsproject leidt tot marktverstoring op de relevante markt in de opkomende markt, in een aan de opkomende markt grenzende regio of in Nederland;
f. het onaannemelijk wordt geacht, dat het deelproject binnen twee jaar kan worden voltooid;
g. het deelproject leidt tot verplaatsing van technisch verouderde technologie;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het deelproject;
i. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het deelproject naar behoren uit te voeren;
j. onvoldoende vertrouwen bestaat dat een duurzaam samenwerkingsverband wordt aangegaan tussen de aanvrager en een in de opkomende markt gevestigd bedrijf.
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. door een of meer bestuursorganen of de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kalenderjaar van de aanvraag en twee aan dit kalenderjaar voorafgaande kalenderjaren aan de aanvrager reeds tot een gelijk of hoger bedrag subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan voor de sector waartoe de betrokken aanvrager behoort, is vastgesteld in de de-minimisverordening;
c. de aanvraag betrekking heeft op het verstrekken van subsidie aan een ondernemer waarvan de continuïteit voor de korte of middellange termijn in het geding is;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen het investeringsproject kunnen financieren;
e. het investeringsproject volledig commercieel financierbaar is;
f. de ondernemer in de opkomende markt of de aanvrager niet handelt volgens de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde richtlijnen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en Rechten op het Werk;
g. de vaste formatie van de groep waartoe de aanvrager behoort kleiner is dan drie fulltime-equivalents;
h. de subsidie minder zou bedragen dan € 100.000;
i. het investeringsproject bestaat uit activiteiten die in Nederland of in de opkomende markt verboden zijn;
j. het investeringsproject per saldo leidt tot het verplaatsen van arbeidsplaatsen van Nederland naar een opkomende markt;
k. het investeringsproject niet voldoet aan de milieuwetgeving van de opkomende markt of in het kader van het investeringsproject geen gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare en gangbare technieken om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, of indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken;
l. de weigeringgronden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, van toepassing zijn;
m. Verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector (PbEU L 193) of Verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) van toepassing is.
2. De Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag indien:
a. het investeringsproject niet past binnen de bedrijfsstrategie van de aanvrager;
b. het investeringsproject onvoldoende verband houdt met de huidige bedrijfsactiviteiten van de aanvrager;
c. het deelproject geen betrekking heeft op nieuwe activiteiten van de aanvrager in de opkomende markt;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van het investeringsproject;
e. het investeringsproject leidt tot marktverstoring op de relevante markt in de opkomende markt, in een aan de opkomende markt grenzende regio of in Nederland;
f. het onaannemelijk wordt geacht, dat het deelproject binnen twee jaar kan worden voltooid;
g. het deelproject leidt tot verplaatsing van technisch verouderde technologie;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het deelproject;
i. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het deelproject naar behoren uit te voeren;
j. onvoldoende vertrouwen bestaat dat een duurzaam samenwerkingsverband wordt aangegaan tussen de aanvrager en een in de opkomende markt gevestigd bedrijf.