BWBR0024569
Geldig vanaf 2008-10-11
Artikel 3
Regeling verplichte afkoop regelingen geldelijke steun huisvesting gehandicapten 2008
1. Per verbintenis van het Rijk jegens een gemeente wordt het subsidiebedrag vastgesteld overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.
2. Voor elk jaar van de nog resterende looptijd van de verbintenis wordt het jaarlijkse bedrag, dat het Rijk op grond van die verbintenis aan de gemeente verschuldigd is, contant gemaakt door middel van deling van dat bedrag door (1 + i) n. Hierbij is ‘i’ de disconteringsvoet en ‘n’ het aantal jaren vanaf de eerste vervaldatum van een resterend jaarbedrag vanaf 31 december 2008 tot aan de vervaldatum van het contant te maken jaarbedrag.
3. De overeenkomstig het tweede lid berekende bedragen worden gesommeerd. Het resultaat wordt contant gemaakt naar 30 december 2008 door deling door (1 + i*m), waarbij ‘i’ de disconteringsvoet is en ‘m’ de periode vanaf 30 december 2008 tot aan de eerste vervaldatum van een jaarbedrag, herleid tot een gedeelte van een heel jaar.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt:
a. uitgegaan van maanden van dertig dagen en van een jaar van 360 dagen;
b. de disconteringsvoet (i) gesteld op 0,0400 (4,00%).
2. Voor elk jaar van de nog resterende looptijd van de verbintenis wordt het jaarlijkse bedrag, dat het Rijk op grond van die verbintenis aan de gemeente verschuldigd is, contant gemaakt door middel van deling van dat bedrag door (1 + i) n. Hierbij is ‘i’ de disconteringsvoet en ‘n’ het aantal jaren vanaf de eerste vervaldatum van een resterend jaarbedrag vanaf 31 december 2008 tot aan de vervaldatum van het contant te maken jaarbedrag.
3. De overeenkomstig het tweede lid berekende bedragen worden gesommeerd. Het resultaat wordt contant gemaakt naar 30 december 2008 door deling door (1 + i*m), waarbij ‘i’ de disconteringsvoet is en ‘m’ de periode vanaf 30 december 2008 tot aan de eerste vervaldatum van een jaarbedrag, herleid tot een gedeelte van een heel jaar.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt:
a. uitgegaan van maanden van dertig dagen en van een jaar van 360 dagen;
b. de disconteringsvoet (i) gesteld op 0,0400 (4,00%).