BWBR0024539
Geldig vanaf 2022-07-11
Artikel 70
Uitvoeringsregeling visserij
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 36, bestemd voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen in de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren, bevat met ingang van 1 januari 2002 de volgende gegevens:
a. de naam van de vergunninghouder, en
b. de lettertekens, het nummer, het motorvermogen en de tonnage van het visservaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is verleend.
2. Indien de Minister niet binnen de in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrechtgestelde termijn op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft beslist en de aanvraag is in overeenstemming met het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid, is de vergunning van rechtswege verleend overeenkomstig de aanvraag.
3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van een vissersvaartuig slechts verleend indien:
a. het vissersvaartuig dient ter vervanging van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen ten aanzien waarvan een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend en de vergunninghouder afstand heeft gedaan van zijn gehele vergunning ten gunste van de aanvrager van de vergunning en het totaal verleende aantal vergunningen als bedoeld in het eerste lid niet toeneemt;
b. het motorvermogen van dat vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen;
c. de aanvrager een meetrapport van een onderneming die is erkend op grond van artikel 87a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, overlegt dat niet ouder is dan twee maanden en waaruit het motorvermogen blijkt van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is aangevraagd.
4. In afwijking van het derde lid, onderdelen a en b, kan de Minister op hun verzoek aan twee houders van vergunningen als bedoeld in het eerste lid, nieuwe vergunningen verlenen ten aanzien van hun vissersvaartuigen, onder de voorwaarde dat de som van het motorvermogen van die vaartuigen niet toeneemt.
5. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt ingetrokken indien:
a. de vergunninghouder afstand van de vergunning heeft gedaan als bedoeld in het derde lid, onderdeel a; of
b. de visserijactiviteiten van een vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is verleend definitief worden stopgezet en ten aanzien van de stopzetting door de minister of door de Europese Commissie subsidie is verleend.
6. De Minister kan de vergunning, bedoeld in het eerste lid voor een periode van twee weken schorsen, indien naar het oordeel van de Minister met het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is toegekend is gehandeld in strijd met artikel 22, of met artikel 50.
7. Indien binnen een jaar na afloop van de schorsing, als bedoeld in het vorige lid, naar het oordeel van de Minister nogmaals met het vaartuig in strijd met artikel 22, of met artikel 50, wordt gehandeld, kan de Minister de vergunning voor een periode van vier weken schorsen.
a. de naam van de vergunninghouder, en
b. de lettertekens, het nummer, het motorvermogen en de tonnage van het visservaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is verleend.
2. Indien de Minister niet binnen de in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrechtgestelde termijn op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft beslist en de aanvraag is in overeenstemming met het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid, is de vergunning van rechtswege verleend overeenkomstig de aanvraag.
3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van een vissersvaartuig slechts verleend indien:
a. het vissersvaartuig dient ter vervanging van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen ten aanzien waarvan een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend en de vergunninghouder afstand heeft gedaan van zijn gehele vergunning ten gunste van de aanvrager van de vergunning en het totaal verleende aantal vergunningen als bedoeld in het eerste lid niet toeneemt;
b. het motorvermogen van dat vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen;
c. de aanvrager een meetrapport van een onderneming die is erkend op grond van artikel 87a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, overlegt dat niet ouder is dan twee maanden en waaruit het motorvermogen blijkt van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is aangevraagd.
4. In afwijking van het derde lid, onderdelen a en b, kan de Minister op hun verzoek aan twee houders van vergunningen als bedoeld in het eerste lid, nieuwe vergunningen verlenen ten aanzien van hun vissersvaartuigen, onder de voorwaarde dat de som van het motorvermogen van die vaartuigen niet toeneemt.
5. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt ingetrokken indien:
a. de vergunninghouder afstand van de vergunning heeft gedaan als bedoeld in het derde lid, onderdeel a; of
b. de visserijactiviteiten van een vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is verleend definitief worden stopgezet en ten aanzien van de stopzetting door de minister of door de Europese Commissie subsidie is verleend.
6. De Minister kan de vergunning, bedoeld in het eerste lid voor een periode van twee weken schorsen, indien naar het oordeel van de Minister met het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is toegekend is gehandeld in strijd met artikel 22, of met artikel 50.
7. Indien binnen een jaar na afloop van de schorsing, als bedoeld in het vorige lid, naar het oordeel van de Minister nogmaals met het vaartuig in strijd met artikel 22, of met artikel 50, wordt gehandeld, kan de Minister de vergunning voor een periode van vier weken schorsen.