BWBR0024476
Geldig vanaf 2008-09-13
Artikel 2
Instellingsbesluit commissie Onderwijstijd
1. Er is een commissie Onderwijstijd.
2. De commissie is onafhankelijk en kan zonder last en ruggespraak onderzoek en analyses uitvoeren, conclusies trekken en aanbevelingen doen.
3. De commissie heeft tot taak:
a. het onderzoeken van de feitelijke naleving van de huidige wettelijke kaders inzake onderwijstijd;
b. het onderzoeken van de feitelijke en ervaren belemmerende en bevorderende factoren voor normnaleving als bedoeld in onderdeel a;
c. het op basis van een analyse op grond van de onderdelen a en b trekken van conclusies over de uitvoerbaarheid van de huidige wettelijke kaders inzake onderwijstijd;
d. het op basis van de onderdelen a, b en c doen van aanbevelingen voor maatregelen op de korte en op de langere termijn op het niveau van de overheid, op het niveau van werknemers en werkgevers en op lokaal en schoolniveau;
e. het inzetten op breed draagvlak voor de in onderdeel d genoemde aanbevelingen.
4. Voor de aanbevelingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel d, gelden de volgende richtinggevende uitgangspunten:
a. inhoud en kwaliteit van het onderwijsprogramma staan niet ter discussie,
b. de financiële ruimte is het thans geldende budget, en
c. een wettelijke norm voor voldoende onderwijstijd als zodanig is nodig.
2. De commissie is onafhankelijk en kan zonder last en ruggespraak onderzoek en analyses uitvoeren, conclusies trekken en aanbevelingen doen.
3. De commissie heeft tot taak:
a. het onderzoeken van de feitelijke naleving van de huidige wettelijke kaders inzake onderwijstijd;
b. het onderzoeken van de feitelijke en ervaren belemmerende en bevorderende factoren voor normnaleving als bedoeld in onderdeel a;
c. het op basis van een analyse op grond van de onderdelen a en b trekken van conclusies over de uitvoerbaarheid van de huidige wettelijke kaders inzake onderwijstijd;
d. het op basis van de onderdelen a, b en c doen van aanbevelingen voor maatregelen op de korte en op de langere termijn op het niveau van de overheid, op het niveau van werknemers en werkgevers en op lokaal en schoolniveau;
e. het inzetten op breed draagvlak voor de in onderdeel d genoemde aanbevelingen.
4. Voor de aanbevelingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel d, gelden de volgende richtinggevende uitgangspunten:
a. inhoud en kwaliteit van het onderwijsprogramma staan niet ter discussie,
b. de financiële ruimte is het thans geldende budget, en
c. een wettelijke norm voor voldoende onderwijstijd als zodanig is nodig.