1. Het experiment houdt in dat in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 van het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking van een alleenstaande ouder:
a. wiens jongste kind waarvoor hij de volledige zorg heeft de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, en
b. die algemene bijstand ontvangt,
een bedrag van € 48,00 per kalendermaand niet tot zijn middelen wordt gerekend, welk bedrag met € 4,00 wordt aangepast per uur dat het gemiddeld aantal uren waarover de alleenstaande ouder in die kalendermaand loon heeft ontvangen per week meer of minder bedraagt dan 12. Het niet tot de middelen te rekenen bedrag is maximaal € 120,00 per kalendermaand.
2. Indien de alleenstaande ouder de arbeid verricht in een dienstbetrekking met een vast overeengekomen arbeidsomvang wordt voor kalendermaanden waarover die dienstbetrekking volledig van toepassing was het gemiddeld aantal arbeidsuren waarover hij per week loon heeft ontvangen gesteld op het vast overeengekomen aantal arbeidsuren per week.
3. Het totaal van de bedragen die op grond van het eerste lid niet tot de middelen van de alleenstaande ouder wordt gerekend, wordt over de periode waarin dat het geval is verminderd met:
a. het bedrag van de aanvullende alleenstaande ouderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting dat op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de wet over deze periode niet tot zijn middelen is gerekend,
b. de inkomsten uit arbeid die op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de wet over deze periode niet tot zijn middelen zijn gerekend, en
c. de premie bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de wet die in deze periode aan de alleenstaande ouder wordt toegekend met uitzondering van de premie, bedoeld in het vijfde lid, tenzij die premie geen relatie heeft met de verwerving van het inkomen, bedoeld in het tweede lid.
4. De alleenstaande ouder die in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 in een of meer kalendermaanden naast het verrichten van arbeid in dienstbetrekking onder toepassing van het tweede lid gebruik heeft gemaakt van een voorziening als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wetbestaande uit scholing of opleiding, heeft per kalenderjaar recht op een eenmalige premie die de uitkomst bedraagt van € 50,00 vermenigvuldigd met het aantal hiervoor bedoelde kalendermaanden in het desbetreffende kalenderjaar. De premie wordt na afloop van het desbetreffende kalenderjaar uitbetaald.
5. De alleenstaande ouder op wie het eerste lid van toepassing is geweest en die niet langer recht heeft op algemene bijstand omdat zijn inkomen de op hem van toepassing zijnde norm heeft overschreden, heeft nadat dit zes aaneengesloten maanden het geval is geweest recht op een eenmalige premie van € 500,00.
6. Voor de toepassing van
artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de wetwordt de uitbetaling van de premies, bedoeld in het vierde en vijfde lid, geacht samen te vallen met de uitbetaling van een eerdere premie als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de wetmet betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar.
7. Aan het experiment nemen ten hoogste deel:
a. tien gemeenten met 150.000 of meer inwoners;
b. tien gemeenten met 50.000 of meer inwoners, doch minder dan 150.000 inwoners; en
c. tien gemeenten met 10.000 of meer inwoners, doch minder dan 50.000 inwoners.