BWBR0024364
Geldig vanaf 12-08-2008
Artikel 2
Beleidsregels 2008 oplegging bestuurlijke boete bij niet tijdige aanmelding zorgverzekering
1. Tot de bijzondere omstandigheden die tot een verlaging van de boete leidt, rekent het CVZ uitsluitend de situatie dat de overtreder, gelet op zijn financiële draagkracht, de boete berekend overeenkomstig artikel 69 en artikel 96, derde en vierde lid, Zorgverzekeringswet, niet binnen een jaar na oplegging van de boete kan voldoen. De vorige volzin is slechts van toepassing indien de overtreder zijn onvermogen tot betaling aantoont en daarbij desgevraagd volledige inzage in zijn financiële positie geeft conform de in bijlage 1 beschreven procedure.
2. Het CVZ zal, indien de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet, de boete vaststellen op een zodanig lager bedrag dat de overtreder de boete wel binnen een jaar na oplegging kan betalen.
De bestuurlijke boete wordt verlaagd tot nihil als:
– de overtreder failliet is; of
– op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is; of
– de overtreder schuldhulpbemiddeling voor natuurlijke personen ontvangt (de zogeheten minnelijke schuldsanering);
– de overtreder en/of zijn eventuele partner, met wie hij een gezamenlijke huishouding voert, de maximale zorgtoeslag ontvangt; of
– de overtreder niet beschikt over vermogen of betalingscapaciteit.
In andere gevallen wordt de bestuurlijke boete maximaal vastgesteld op het bedrag van:
– het aanwezige vermogen; en
– 80% van de aanwezige betalingscapaciteit.
Het vermogen en de betalingscapaciteit worden vastgesteld op basis van de in bijlage 1 uitgewerkte regels.
3. De bestuurlijke boete wordt niet verlaagd als:
– uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds en de overtreder daarvoor geen bevredigende verklaring kan geven
– het aan de overtreder kan worden toegerekend dat de bestuurlijke boete niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere sprake als vanaf de dagtekening van de vooraankondiging voor het opleggen van de bestuurlijke boete tot aan de indiening van het verzoek om verlaging van de bestuurlijke boete op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de bestuurlijke boete te kunnen voldoen.
2. Het CVZ zal, indien de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet, de boete vaststellen op een zodanig lager bedrag dat de overtreder de boete wel binnen een jaar na oplegging kan betalen.
De bestuurlijke boete wordt verlaagd tot nihil als:
– de overtreder failliet is; of
– op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is; of
– de overtreder schuldhulpbemiddeling voor natuurlijke personen ontvangt (de zogeheten minnelijke schuldsanering);
– de overtreder en/of zijn eventuele partner, met wie hij een gezamenlijke huishouding voert, de maximale zorgtoeslag ontvangt; of
– de overtreder niet beschikt over vermogen of betalingscapaciteit.
In andere gevallen wordt de bestuurlijke boete maximaal vastgesteld op het bedrag van:
– het aanwezige vermogen; en
– 80% van de aanwezige betalingscapaciteit.
Het vermogen en de betalingscapaciteit worden vastgesteld op basis van de in bijlage 1 uitgewerkte regels.
3. De bestuurlijke boete wordt niet verlaagd als:
– uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds en de overtreder daarvoor geen bevredigende verklaring kan geven
– het aan de overtreder kan worden toegerekend dat de bestuurlijke boete niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere sprake als vanaf de dagtekening van de vooraankondiging voor het opleggen van de bestuurlijke boete tot aan de indiening van het verzoek om verlaging van de bestuurlijke boete op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de bestuurlijke boete te kunnen voldoen.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0024364
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl